Er is veel wantrouwen in onze wereld, tussen mensen, volken of bevolkingsgroepen. Zo was er vele jaren een groot wantrouwen tussen Oost en West. En nog steeds is er wantrouwen in bijvoorbeeld Zuid-Afrika tussen wit en zwart. En in eigen land is er wantrouwen tussen autochtonen en allochtonen, mensen van hier en mensen van elders.
Soms is het wantrouwen te begrijpen en soms is het terecht dat je op je hoede bent. Maar meestal is wantrouwen funest en doet het alleen maar kwaad tussen mensen: in een huwelijk, tussen ouders en kinderen of tussen collega’s maakt wantrouwen meer kapot dan heel. Zo ook tussen buren, dorpsgenoten, en ook geloofsgenoten. Wantrouwen doet er geen goed aan en het zorgt ervoor dat mensen uit elkaar groeien.
Het gaat in onze liturgische teksten en onze verkondiging vaak over ons vertrouwen op God. Vandaag gaat het echter over Gods vertrouwen in ons. Hij wantrouwt ons namelijk niet. Integendeel: God heeft alle vertrouwen in u en mij. Hij heeft ons, vertelt Jezus, zijn bezit toevertrouwd. Hij heeft ons zijn aarde in handen gegeven en die wereld moeten wij, ieder met zijn of haar eigen mogelijkheden, zien te maken tot het rijk van God. En of je nu heel veel of bijna niks hebt meegekregen, je mag niet stil zitten. Je mag niet je eigen talenten wantrouwen; je mag niet bang of lui gaan zitten toekijken hoe anderen de wereld verpesten of mooier en gelukkiger maken. Je mag je talent, ook al is het er maar één, niet ongebruikt begraven. Je moet er iets mee doen ten gunste van anderen en zo ten gunste van het rijk Gods. Ook als je maar weinig hebt, moet je groot zien te zijn in het kleine.
Een Engels parlementslid merkte eens heel verwaand op tegen een vakbondsman: ‘Ik geloof dat uw vader de schoenen nog gepoetst heeft van mijn vader’. De man antwoordde: ‘Daar schaam ik me niet voor. Ik zou me pas schamen, mijnheer, als hij het niet goed had gedaan!'.
En zo is het: God vraagt ons niet wat we deden, hoog of laag op de maatschappelijke ladder. Hij vraagt ons of we het met de nodige inzet hebben gedaan en of we onze talenten - veel of weinig - hebben gebruikt voor zijn koninkrijk.
En zijn koninkrijk is: een wereld waar zorg is voor elkaar, waar grote eerbied is voor de ons toevertrouwde schepping en waar vrede en gerechtigheid is tussen allerlei mensen en volken.
Telkens als wij - hoe klein of onopvallend ook misschien - die wereld van God een klein beetje dichterbij brengen door onze talenten te gebruiken. Telkens als we ons hart en onze handen, onze tijd geven aan anderen zijn we (wat Paulus noemt) ‘kinderen van het licht'.
Kinderen van het licht graven hun talenten niet in uit gemakzucht, angst of zelfbehoud en ze stellen het ook niet almaar uit om goed te doen, want de dag dat je je verantwoorden moet komt als een dief in de nacht, schrijft de apostel.
Doe dus wat je kunt - leert de parabel - God rekent op jou en doe het vandaag, want voor je het weet, zegt Paulus, is het te laat.