De laatste drie weken van het kerkelijk jaar lezen we het 25e hoofdstuk
van het Matteüsevangelie, vorige week over de domme en verstandige
meisjes en volgende week het oordeel van de Mensenzoon en de scheiding
van de bokken en de schapen.
Vandaag horen we over de man die naar het buitenland gaat, en zijn
bezittingen verdeelt over zijn knechten tot het moment van zijn
terugkeer. Het gemeenschappelijke thema van deze drie zondagen is de
terugkeer van de Mensenzoon en de vraag in hoeverre de volgelingen van
Jezus hierop voorbereid zijn.
Ook al leven wij tweeduizend jaar later niet met dezelfde verwachting
van zijn onmiddellijke wederkomst, toch krijgen wij dezelfde vraag
voorgeschoteld: zijn wij - op dit en op elk moment van ons leven -
bereid om rekenschap af te leggen? Voor ons allemaal mag dit een
aanleiding zijn niet om ons bang te laten maken, maar wel om te zien
hoe we onszelf kunnen verbeteren, bekeren.
God vertrouwt veel aan ons toe, zo zegt Jezus in de parabel van
vandaag, aan ieder van ons, niet alleen aan degene met de vijf talenten
of met twee, maar ook degene met het ene talent heeft een heleboel
gekregen. Wij zijn geneigd om talent te verstaan in onze hedendaagse
Nederlandse betekenis van begaafdheid, en dat mag ook, maar de
oorspronkelijke betekenis is die van een Griekse munteenheid uit die
tijd, en wel de grootste die er bestond: per stuk waard 6000 denariën
oftewel 6000 daglonen. Dit betekent heel concreet dat de dienaar met
het ene talent voor dit geld twee maanden lang honderd mensen in dienst
had kunnen nemen, of het desnoods alleen maar naar de bank brengen.
Kortom, hij had heel veel mogelijkheden, en zijn heer bleef lang weg,
staat er; van dit bedrag had hij twintig jaar ongestoord kunnen leven,
maar intussen deed hij niets.
Van ons wordt verwacht dat we ons bewust zijn van onze talenten en die
durven gebruiken. Daarvoor krijgen we een leven lang de tijd, maar
niemand weet hoe lang dit duurt. Dit vraagt van ons dat we niet
uitstellen, maar elke dag onze talenten benutten, ja er mee woekeren.
Daartegenover staat een grote beloning. De eerste twee dienaren krijgen
bij terugkomst van hun heer nu het dubbele, en beiden worden zonder
onderscheid uitgenodigd te komen delen in de heerlijkheid van hun heer.
In de eerste lezing krijgen we een voorbeeld van een vrouw die met haar
talenten heeft gewoekerd. Vrouwen kregen en krijgen niet altijd de
kansen die zij verdienen en moeten in een mannenmaatschappij harder
knokken dan mannen om hetzelfde te bereiken. Dat gold zeker zo sterk
voor de maatschappij aan het begin van onze jaartelling, waar je zou
verwachten dat hun rol beperkt blijft tot binnenshuis, zoals wij dat
bijvoorbeeld in sommige Marokkaanse gezinnen in onze buurt ook nu zien.
En toch slaagde de Sterke Vrouw uit het boek Spreuken erin het maximale
uit haar leven te halen ten bate van haarzelf, haar familie,
huishouden, bedrijf en haar wijde omgeving inclusief de armen. Zij
zorgde ervoor dat haar man en kinderen niets tekort kwamen, gaf leiding
aan de productie van hun bedrijf: kocht en verkocht, vervulde ook een
maatschappelijke rol: ze ging naar de markt en de stadspoort, was daar
gezien en geliefd. En alsof dat alles niet genoeg is, had zij ook nog
oog en zorg voor de noden van de armen. Met recht wordt van haar gezegd
dat deze vrouw die de Heer vreest, moet worden geëerd.
Twee opmerkingen zou ik wel willen maken over deze Sterke Vrouw. Van de
ene kant is het niet de bedoeling zo’n ideaal type neer te zetten dat
alle echte mensen van vlees en bloed - en dan met name de vrouwen -
door de vergelijking met haar worden neergehaald. Deze lofrede gaat
over een symbolische figuur in wie al deze eigenschappen samenkomen.
Dat blijkt ook al uit de vorm waarin deze lofrede in het Hebreeuws is
overgeleverd in de vorm van een gedicht waarin elke zin begint met de
volgende letter uit het alfabet. Hierdoor wordt haar perfectie nog eens
benadrukt: zij verzorgt alles volledig van a tot z. Van de andere kant
schetste deze lofrede ook voor die tijd een herkenbaar realistisch
beeld. Hieruit moeten we concluderen dat er kennelijk ook toen zulke
zelfstandige vrome vrouwen waren die een dergelijke rol in de familie
en bredere samenleving vervulden. Ook al waren ze dan niet perfect, ze
waren en blijven wel een modelfiguur, niet alleen voor vrouwen maar ook
voor mannen.
Daarom zou ik willen besluiten met de eerste lezing en de psalm te
citeren. Een vrouw die de Heer vreest, moet worden geroemd. Gelukkig is
de man die leven mag met God. Gelukkig zijn wij als we leven naar Gods
bedoelingen.
Gelukkig wie leven naar Gods bedoelingen (2005)
A-cyclus · Tijd door het jaar · 33e zondag · groen