In de krant van vrijdagmorgen stond op de voorpagina
het verhaal van ene Nathanaël Abraham, een dertienjarige jongen in Amerika,
die terecht stond voor het doodschieten van een andere jongen,
per ongeluk volgens zijn eigen zeggen.
Hij zit al twee jaar achter de tralies, hij was elf toen het gebeurde.
Hij wordt berecht als een volwassene, hij kan zo levenslang krijgen.
Ik vind dit barbaars, een schande voor een beschaafd land.
Bovendien zou die jongen volgens deskundigen geestelijk minvermogend zijn.
Ik vind het onbegrijpelijk dat zoiets in een modern land gebeuren kan.
Op pagina twee van dezelfde krant van vrijdag stond een heel ander verhaal.
Het ging over Nelson Mandela, “messias tegen wil en dank” was de kop:
een indrukwekkende figuur, die ondanks alle vernederingen van de gevangenis,
toch een integer mens is gebleven, die ieders respect heeft afgedwongen,
in Zuid Afrika en in heel de wereld.
Ondanks alles is hij gematigd, verzoenend, zonder haat en wrok gebleven.
De jonge Nathanaël, de oude Mandela, twee totaal verschillende figuren:
de een zwakbegaafd, met weinig of geen talenten,
om de woorden van het evangelie te gebruiken,
de ander hoogbegaafd, iemand die gewoekerd heeft met zijn talenten,
de een toegejuicht, de ander voor zijn leven verdoemd.
Gelukkig zijn er veel figuren als Nelson Mandela, goede mensen,
toonbeelden van menselijkheid, menswaardigheid, menslievendheid.
Jammer genoeg zijn er ook altijd figuren als die Nathanaël,
mensen van alle leeftijden, maar dikwijls uit kansarme gezinnen en buurten,
opgroeiend in verpauperde krottenwijken, zonder een warm en geborgen thuis,
en hun straat is een jungle vol gevaren, waar de misdaad welig tiert.
Wie daar woont en leeft, moet al een heel sterke persoonlijkheid zijn
om niet door de misdadigheid van die samenleving opgeslokt te worden.
En de zogenaamde goede, brave, helft van de samenleving roept om straf,
zwaardere straffen om de misdaad een halt toe te roepen.
Maar op de eerste plaats heb je hier de grote vraag
of het geven van meer en zwaardere straffen hier wel iets oplost?
En op de tweede plaats: als je naar de schuldvraag kijkt, kun je je afvragen:
wie is meer schuldig: degene die een misdaad begaat,
of een overheid die in bepaalde omstandigheden mensen laat verpauperen,
of een samenleving die zich hard opstelt en hen als vuilnis behandelt.
Ik wil niet suggereren dat er geen straffen meer uitgedeeld mogen worden,
maar wel dat we ook oog hebben voor die andere kant:
de kant van de kansarmen, de ontwortelden, van hen die niet meetellen.
We moeten ons goed bewust zijn dat niet iedereen evenveel talenten heeft
en dus ook niet evenveel kan produceren en presteren.
Dat moet maken dat we milder worden in ons oordeel over degenen
die er in onze ogen niets of weinig van terecht brengen.
Bovendien moeten we onszelf de vraag stellen
of wij wel woekeren met de talenten die wij gekregen hebben.
En hierbij moeten we wat nader naar het evangelie van vandaag kijken.
Als wij over talenten praten dan vertalen we dat met aanleg, gave,
maar in het evangelie gaat het eigenlijk gewoon over een hoeveelheid geld,
een talent is in de joodse wereld van toen een flink bedrag aan goud.
Jezus gebruikt dit beeld om zijn toehoorders iets duidelijk te maken:
zoals een heer aan zijn dienaren een geldbedrag kan geven
om er iets mee te doen: handel drijven en geld erbij verdienen,
zo heeft God jullie een grote rijkdom toevertrouwd, de rijkdom van het leven,
de rijkdom van zijn verbond; ieder naar zijn bekwaamheid,
m.a.w. God houd rekening met ieders mogelijkheden en onmogelijkheden.
En in deze gelijkenis gaat het vooral om die laatste dienaar
die helemaal niets gedaan heeft met het geld dat de heer hem toevertrouwde.
Dat is precies het verwijt dat Jezus maakt aan het adres van de joodse leiders:
jullie hebben niets gedaan met de rijkdom die God je gegeven heeft,
jullie worden beheerst door angst, kortzichtigheid, bekrompenheid,
jullie spelen op veilig, maar daardoor gebeurt er bij jullie niets,
daarom sta je voor God met lege handen.
Hier ligt ook de vraag die dit evangelie ons stelt:
doen wij wel iets met de rijkdom ons toevertrouwt, de rijkdom van het leven,
de rijkdom van het blijde boodschap die Jezus ons meegaf,
de rijkdom van dat grote gebod van de liefde, van zorg voor elkaar,
van mildheid en vergeving, van eerlijkheid en waarachtigheid?
Of spelen ook wij op veilig? Gaan we onze eigen weg
en durven we onze nek niet uit te steken voor anderen.
En het maakt niet uit of we veel of weinig talenten hebben,
hoogbegaafd of zwakbegaafd zijn, veel of weinig aankunnen,
als we in ons leven maar iets doen met Jezus’ boodschap,
God kijkt niet naar de resultaten, wel naar onze inzet.
En al presteren en produceren wij nog zoveel in ons leven,
al zijn we nog zo rijk, of beroemd of geleerd,
als we niets doen met Jezus’ boodschap,
staan we voor God met lege handen.
33e zondag door het jaar A (1999)
A-cyclus · Tijd door het jaar · 33e zondag · groen