De volgelingen van Jezus leefden lange tijd in de verwachting dat de Heer spoedig op aarde zou terugkeren. De vier evangelis¬ten en met name ook Paulus verwachtten dat zij die wederkomst zelf nog zouden meemaken. Toen dat almaar niet bleek te gaan gebeuren, werden veel gelovigen het wachten moe. Ze dachten: bekijk het maar. Ze voelden zich voor de gek gehouden en lieten hun geloof voor wat het was: niks of een klein beetje.
Het is voor dat soort gelovigen dat Matteüs zijn verhaal doet over bruidsmeisjes, die (naar het gebruik van toen) wachtten op de thuiskomst van de bruidegom. Voor de ene helft duurde het wachten te lang, ze hadden er niet op gerekend, hun olie raakte op en de lampen gingen uit. De anderen bleken wijzer te zijn geweest en waakzaam; ze hadden vooruit gedacht, maatregelen genomen, want zij hadden tevoren olie ingeslagen en zo hielden ze hun lampen brandend.
Echt geloven en christen zijn is een kwestie van volhouden en is een kwestie van vooruitkijken. Je moet het licht van het geloof brandend houden en niet laten uitgaan als het anders loopt dan je had gedacht. Zo zie je bijvoorbeeld dat er nogal wat ouders zijn die als ze ‘de strijd’ met hun kinderen hierover hebben verloren, zelf na verloop van tijd ook niet langer trouw zijn aan de kerkgemeenschap en zachtjes dooft het licht. Geloven is het licht brandend weten te houden, vooruitkijken en niet zoals die domme meisjes denken: het zal onze tijd wel duren, of: anderen houden ons licht wel brandend.
In ons gewone doen zijn we allemaal waakzaam, kijken we vooruit en nemen we de nodige voorzorgsmaatregelen: let goed op bij het oversteken; kijk uit wat je koopt; heb ik het gas uitgedaan?; de deur op slot, en: zet de auto maar binnen, dan hoef je morgenvroeg niet te krabben. Voortdurend zijn we op ons qui-vive en denken we vooruit. Maar als gelovige, als christen, als kerkmens?
Zijn we dan ook zo waakzaam en vooruitziende? Of gaat onze aandacht niet verder dan vandaag en denken we net als die ‘kortzichtige’ meisjes en laten we zodoende het licht van het geloof stilaan uitgaan in ons hart, in ons leven en samenleven? Doen we onze plichten en wachten wij af wat komen gaat en maken we ons niet al te druk, ‘het gaat toch allemaal zo goed?’. Of zetten we ons in en leggen we een voorraadje geloof en vertrouwen aan, zodat we onze lampen brandend kunnen houden voor als de tijden slechter en het leven donkerder wordt?
Als we het licht van het geloof brandend willen houden zullen we ons moeten voorbereiden op een toekomst in de kerk, anders dan we ons gedacht hadden (in de eerste jaren van de kerk liep het ook al anders dan ze hadden gehoopt) en we zullen de bakens moeten verzetten. Maar wie dat nu doet, olie koopt en bepaalde keuzen maakt, loopt het risico voor gek te worden uitgemaakt, want ‘zo’n vaart loopt het allemaal niet'.
Maar ons evangelie noemt dwaas, zij die niet vooruitkijken en wijs, zij die er alles aan doen om ook in de toekomst het licht brandend te houden om samen licht te kunnen zijn.