32e zondag A (2005)

A-cyclus · Tijd door het jaar · 32e zondag · groen

Het genootschap “Amstelodamum” organiseerde van de week in het Amsterdams Historisch Museum (tussen Kalverstraat en Nieuwezijds Voorburgwal) een eerste van drie lezingen gewijd aan “de Heilige Stede” - dat is (of we moeten helaas zeggen: dat wás) de grote kapel die tussen Kalverstraat en Rokin werd opgericht op de plek van het huis waar in 1345 het Mirakel van Amsterdam, het hostie-wonder, plaatsvond. In 1908 werd -God betere het- die Middeleeuwse kapel met de grond gelijk gemaakt … De lezing begon om half één en zou een half uur duren. Ik was keurig op tijd en pastor Wim Lokkerbol óók … maar de organisatoren waren ’t niet … U kent dat wel: men was nog aan ’t klooien met allerlei apparatuur. Met behulp van een beamer moest er het één en ander op een scherm worden geprojecteerd. Op de beamer moest een lap-top worden aangesloten en dat lukte allemaal niet. Koortsachtig werd er gewerkt terwijl het publiek voor de lezing al in ’t zaaltje zat en het tijdstip van half één verstreek. Ik ergerde mij. Ik dacht: zoiets moet klaarstaan en tip-top in orde zijn in zo’n museum voordat zo’n lezing begint. Ze zijn er vast te laat mee begonnen dacht ik. En ook: Ik heb nog meer te doen vandaag en hier heb ik geen zin in en ik ben ’m gesmeerd.

“Op tijd zijn”, dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk; op tijd zijn is een waarde in ’t leven. Bijvoorbeeld geldt dat voor de liturgie. De mis moet op tijd beginnen (en het morgengebed en het avondgebed etcetera). Want in de liturgie komen wij bij God. De liturgie is “de tijd van God” kun je zeggen. En daarvoor geldt dus: Gód is daarvoor de norm en niet wíj met onze duizend-en-één excuses om eventueel niet op tijd te kunnen zijn. Nou hoor ik U al denken: moet je horen wie het zegt … Alsof zelf altijd zo op tijd is … Ik weet ’t, veelgeliefden, ik weet ’t … ook in dit opzicht ben ik een zondaar. En juist daarom is ’t goed denk ik om mijzelf en U te herinneren aan de goede stelregel: We beginnen op tijd! We beginnen op de tijd van God en niet op onze eigen tijd. Want van het één komt zoals we weten gemakkelijk ’t andere. Begin je niet op tijd, dan begin je al met een nadeel, gemakkelijk gaat dan de tijd dringen en dat geeft druk op ’t hele gebeuren en door druk gaan dan gemakkelijk weer andere dingen mis en lopen we achter onszelf aan te rennen, het ene gat met het andere dichtend …

Het klokje tikt door, de tijd verstrijkt. Je bent al verder (met je leven!) dan je misschien denkt. Dus: als je je ervan bewust bent dat je nog dingen te doen hebt, en dan denk ik met name aan belangrijke levenstaken (dus niet op de eerste plaats aan de afwas en zo) verricht die levenstaken dan nú terwijl ’t nog kan. Want er komt een moment dat ’t niet meer hoeft, dat ’t te laat is, een moment waarop de deur dichtgaat en niet meer open zal gaan. U weet, veelgeliefden, de weg naar de ondergang is geplaveid met goede voornemens waar verder niets van komt, die niet ten uitvoer worden gebracht. Mensen kunnen zo’n gevoel hebben van “eigenlijk leef ik niet goed”, “eigenlijk zou ik anders moeten leven dan ik feitelijk doe en dan m’n geloof me eigenlijk ingeeft.” Dat woordje “eigenlijk” mensen … “eigen”, “van onszelf”, “werkelijk”, “juist” … Wacht er níet mee om je eigenlijke leven te leven en houd op met elke vorm van schijnleven. Zoiets wil de Heer ons vandaag op ’t hart drukken denk ik in die prachtige poëtische parabel van de tien meisjes, de vijf verstandige en de vijf domme …

Vijf om vijf. Bij vijf denk ik meteen aan de vijf zintuigen: het voelen (oftewel de tastzin), het gehoor, het gezichtsvermogen, het ruiken en het smaken … Hoe gebruik jij die zintuigen? Ben je ermee gericht op “de bruidegom”, op Jezus en Zijn Koninkrijk dat komen zal? gaat je sterke verlangen daarnaar uit? voed je dat verlangen? en is ’t een vurig verlangen? Of schiet je alle kanten op met je ogen en je oren, met je mond en je neus en je vingers? Ben je doelgericht of eerder verstrooid en doelloos? Zie je uit naar de bruidegom, ben je gespitst op Zijn komst of is ’t meer een soort rondzwerven dat je doet in ’t leven …? Ik denk, veelgeliefden: het gaat hier om een spanning in ons leven. Die vijf verstandige, wijze èn die vijf domme, dwaze meisjes die zitten in principe in iedereen. En wie krijgen de overhand in jou? Wie gaan er winnen? Een spannende vraag! Dat is een strijd in het leven, een vaak moeizame strijd, een wedstrijd. Ik denk: alle mensen weten heus wat goed is, weten heus waar het heil en waar ’t licht te vinden zijn … Ja, daar ben ik eigenlijk wel van overtuigd: dat elk mens dat diep in z’n hart wel weet. Maar vaak willen we ’t niet weten mensen … In mensen kan ook zoveel weerstand zijn tégen ’t licht en tégen de waarheid, tégen ’t heil, tégen wie en wat je redden kan. Mensen keren zich dus vaak door hoe ze hun leven inrichten en door hoe ze ’t doen, leven; daardoor keren ze zich vaak feitelijk tégen wat voor henzelf van het hoogste en diepste belang is …

Vaak gebeurt dat. Maar gelukkig niet altijd. Ik ken een vrouw die een beetje stottert. Daar heeft ze vroeger behoorlijk last van gehad. En de vraag is dan, in zo’n geval veelgeliefden: heeft zij ’t stotteren? Of hééft ’t stotteren haar? Beheerst zij ’t of wordt ze er door beheerst? In het laatste geval noemen we zoiets een “obsessie” of een “fixatie”. Mensen kunnen geobsedeerd worden door bepaalde problemen in hun leven; ze kunnen er helemaal op gefixeerd zijn; er helemaal door vastgebonden worden en daardoor zeer onvrij worden. U snapt, veelgeliefden, in plaats van het stotteren van die vrouw over wie ik ’t had kun je naar believen iets anders invullen … Wat zijn jouw obsessies? Waarop ben jij gefixeerd? - Vaak zijn ’t natuurlijk bepáálde andere mensen die in onze ogen de boeman of de boe-vrouw zijn - aan wie heel ons ongeluk kan worden toegeschreven … Die mevrouw van de week met dat bordje “Balkenende waar was je? Je bent een jaar te laat!” Goed dat Balkenende eropaf is gestapt op die mevrouw … Dat is in alle gevallen ’t beste mensen: er gewoon op af gaan, rechtstreeks contact, van mens tot mens. Die mevrouw met dat stotter-probleem vertelde mij (jaren terug al): “het is een belangrijke overwinning geweest in de strijd met mijzelf dat ik me door dat stotter-probleem niet heb laten kisten.” Ik vond dat indrukwekkend om dat te horen mensen. Een strijd die je voert met jezelf … en wie winnen er: de domme of de verstandige meisjes? Misschien dat ’t de verstandige wel lukt om die domme meisjes de één na de ander “om” te krijgen zodat ’t er dan zes, zeven, acht, negen, ja tien! verstandige meisjes overblijven. Je moet de lat nooit te laag leggen denk ik en vooral: de strijd niet opgeven. Nee, geef nooit op!

Er zijn dingen in ’t leven, veelgeliefden, die je van anderen kunt lenen … Als je een cake wilt bakken en je hebt geen eieren meer, dan kun je die misschien wel van de buurvrouw lenen. En wie op de fiets een lekke band krijgt, die kan misschien van een ander wel bandplakspullen en een fietspomp lenen. Maar wie op school een proefwerk moet maken en de antwoorden zelf niet weet, die kan wel een spiekbriefje maken of bij een ander afkijken, maar we weten allemaal: dat is niet de bedoeling, dat mag niet en uiteindelijk houd je zo ook jezelf voor de gek. Want we leren niet voor de school maar voor het leven. Ik denk: met die lamp-olie die de verstandige meisjes niet willen geven aan de domme meisjes, daarin gaat het om datgene in ons leven wat gewoon niet overdraagbaar ís van de ene mens aan de andere. Die lamp-olie, dat is de “kwaliteit van onze ziel, van ons hart”. En daarvoor, veelgeliefden, daarvoor moet je zelf zorgdragen. Je ziel die moet je zelf voeden. Dat kan een ander niet van jou overnemen. Hoe doe je dat dan? Hoe zorg je voor je ziel? Nou, door bijvoorbeeld hier te komen, naar de kerk. Hier voedt Christus zelf ons. Hier rust Hij ons toe voor alle omstandigheden van ’t leven - ook voor de moeilijkste omstandigheden en voor de zwartste dagen en uren. Opdat we dan niet met lege lampen zitten, zonder olie; opdat het licht van onze zielen dan niet uitdooft …

Voor de tiende achtereenvolgende nacht zijn er in heel Frankrijk relletjes geweest en je hoort over veel nare dingen. En van de week vertelde iemand mij over een neef van hem, een jonge arts die bij een gas-ontploffing om ’t leven is gekomen. Plof - dood. Gisteren is die jongen in Diemen begraven. Wat een ellende en droefenis mensen …Vraag: bent U bang voor zulk onheil? Ik denk: dat hóeft niet … Want, wat er ook gebeurt: wij gaan naar het licht toe. En als het goed is, dan hebt U dat licht ook nu reeds in U.

Ik zal ’t U maar verklappen veelgeliefden: in de afgelopen maanden ben ik verzeild geraakt in een heftige romance - met de heilige Thérèse van Lisieux (van het Kindje Jezus en het Heilig Aanschijn). Vierentwintig jaar oud was zij pas toen ze op 30 september 1897 stierf aan de TBC. - na een afschuwelijk ziekbed. In haar autobiografie (“Het verhaal van een ziel”) schrijft ze hoe ze op Goede Vrijdag van datzelfde jaar 1897 (een half jaar voor haar dood dus) tegen middernacht naar haar kloostercel terugkeert - na nog lang gebeden te hebben bij het kruis … Ze schrijft dan: “Ik had nog maar nauwelijks m’n hoofd op m’n kussen gelegd toen ik voelde hoe er een hele golf in mij omhoogkwam - tot op m’n lippen. Ik wist niet wat ’t was, maar ik dacht dat ik misschien wel dood zou gaan en daardoor werd mijn ziel van met vreugde vervuld … Maar onze lamp was al uit, dus ik zei tegen mezelf dat ik tot de morgen zou moeten wachten om mij van m’n geluk te vergewissen, want ik dacht dat ik misschien wel bloed had opgegeven. Het duurde niet lang voordat ’t licht werd en toen ik wakker werd dacht ik er meteen aan dat ik iets vreugdevols mocht vernemen en toen ik bij ’t raam kwam constateerde ik dat ik me niet vergist had … Mijn ziel werd vervuld van grote troost. Ik was er innerlijk helemaal van overtuigd dat Jezus mij op de verjaardag van zijn dood voor de eerste keer had opgeroepen! Het was een zacht gemurmel als van een geluid in de verte dat voor mij de komst van de bruidegom aankondigde.” Tot zover Thérèse die op haar viertwintigste al geheel en al een verstandige een wijze vrouw was, een eenduidig mens, een mens uit één stuk … Christelijke onverschrokkenheid, gelovige levenskunst. Mogen wij van haar leren … Moge elk onheil dat geschiedt ook voor óns een teken zijn dat de bruidegom nadert. Mogen wij altijd voor Hem klaarstaan. Mogen wij bereid zijn, altijd, om Hem tegemoet te gaan. Amen.

Zoeken in Preken Online