Laat u geen rabbi noemen, want ge hebt maar één Meester. Laat u geen vader noemen, want ge hebt maar één Vader. Laat u geen leraar noemen, want ge hebt maar één Leraar. Dat zei Jezus tegen het volk en tegen zijn leerlingen.
Franciscus begreep wat Jezus wilde. Hij noemde een overste geen overste, maar dienaar. Don Bosco had het ook door. Hij wilde geen pater genoemd worden. Hij gaf er de voorkeur aan Dom genoemd te worden. Dat betekent gewoon ‘meneer’ met een licht kerkelijke bijklank.
Toch is in onze kerk het begrip ‘carrière maken’ binnengedrongen. En carrière maken betekent: hogerop komen. Wij hebben van jongs af aan geleerd dat een priester hoger is dan een leek, dat een deken hoger is dan een priester, dat een bisschop hoger is dan een deken, dat een kardinaal hoger is dan een bisschop, en dat tenslotte de paus hoger is dan alle kardinalen. En men heeft dit geaccentueerd met een priesterboord voor een priester, met een mijter en paars voor een bisschop, met een pelerine en rood voor een kardinaal, en met een tiara en wit voor de paus. En die tiara is een drievoudige kroon met een drievoudige macht.
Iedere agenda, die zichzelf respecteert, bevat een pagina met titulatuur. Daarin zien we hetzelfde: een kloosterzuster is eerwaarde, een pater is weleerwaarde, een pastoor is zeer eerwaarde, een deken is hoogeerwaarde, een bisschop zijne excellentie. Steeds hoger. En men zegt dat het gewoonte was iemand aan wie je schreef en van wie je iets gedaan wilde krijgen, aan te schrijven met één graad hoger dan hij in werkelijkheid was.
Eigenlijk is dit in strijd met het evangelie van vandaag. Het was ook te gek, dat we tegen een pasgewijde kloosterling van 25 jaar ‘pater’ zeiden. Want al betekent het letterlijk ‘vader’: in feite is het een titel geworden.
Waarschijnlijk heeft Matteüs zo scherp het beeld getekend van de ontaarding van de rabbi, omdat hij al tekenen zag van hetzelfde in zijn eigen kerkgemeenschap. Hij wil ook ons waarschuwen niet diezelfde weg in te slaan. Want het ligt zo voor de hand, dat we die weg inslaan. Heel onze maatschappij is er op uit carrière te maken. Bovendien hebben wij, gewone mensen, leiders nodig. Een gezin zonder ouders is ondenkbaar. Een fabriek zonder directie kan niet functioneren. Een school zonder leerkrachten is geen school meer. Een land zonder regering is stuurloos.
Wat wil Jezus dan? Een kerk zonder leiding, zonder leraren, zonder hiërarchie? Dat is een onmogelijkheid. Jezus wil ons dát niet aanpraten. Hij wil ons alleen waarschuwen voor eerzucht. Want een eerzuchtig mens kan niet goed leiding geven. Die zoekt zijn eigen eer, en niet het geluk van anderen. Van gezag verwacht Jezus dienstbaarheid. Van macht verwacht Hij, dat iemand die macht bezit de lasten van anderen verlicht, zoveel hij kan. Eigenlijk ziet Hij het als een kwestie van genegenheid. Wie zich als een herder gedraagt, hoeft zich niet te laten gelden. Zo iemand geldt als herder, als een vader, of een moeder, of een pastor, of een directeur. Want iemand die in de kerk en daarbuiten in gezag gesteld is, leeft - als het goed is - mee met anderen, en verdraagt veel. Hij is een goede herder.
Dat bedoelde Franciscus toen hij een overste geen overste noemde, maar dienaar; dat bedoelde Don Bosco toen hij zich geen pater liet noemen, maar gewoon ‘meneer’ met een kerkelijk tintje. Dat bedoelt Jezus als hij ons zegt: wie de grootste onder u is, moet uw dienaar zijn.