“De grootste van u zal uw dienaar zijn. Wie zich verheft, zal vernederd worden, en wie zich vernedert, zal verheven worden.”
Bij deze uitspraak van Jezus uit het evangelie moet ik denken aan paus
Paulus VI. Toen na eeuwen van verwijdering tussen de Oosterse orthodoxe
kerken en de Latijnse Roomse kerk voor het eerst weer een ontmoeting op
topniveau plaatsvond tussen de paus van Rome en (ik meen) de patriarch
van Constantinopel, werd in Rome heel goed nagedacht over de plaatsen
waar de stoelen moesten staan, wie wel en niet op een verhoging mochten
zitten, wie als eerste mocht spreken, en hoe duidelijk moest worden dat
Paulus VI de gastheer was en de ander de genodigde. Toen het moment van
de ontmoeting daar was, sloeg de paus alle adviezen in de wind, ging
naar zijn gast toe, kuste zijn voeten en zei: “Ik wil geen macht, ik
wil broederschap.”
De uitspraak van Jezus staat in de context van zijn waarschuwing aan de
menigte dat zij moeten uitkijken voor de schriftgeleerden en de
Farizeeën. Jezus maakt daarbij wel een duidelijk onderscheid: Hun
woorden deugen wel, maar hun daden niet. De Farizeeën en
Schriftgeleerden hadden de taak om het volk te onderrichten in de Tora,
de richtlijnen voor het leven die God aan Mozes had gegeven. Zij zaten
nu als het ware op de stoel van Mozes en moesten het volk leiden, en
dat deden ze voortreffelijk, ook of juist in hele moeilijke en
verwarrende tijden. Dat Jezus met hen in discussie gaat is dan ook heel
normaal. Het is een teken dat zij gezaghebbend waren en dat de
discussie de normale Joodse manier was (is) om samen inhoudelijk verder
te komen. Waar Jezus hier en op andere momenten tekeergaat tegen de
Farizeeën moeten we dus concluderen dat het gaat om een aantal mensen
uit hun midden die zich graag lieten voorstaan op hun positie. Zij
leggen anderen onmogelijke eisen op en houden idealen voor waar ze zelf
onmogelijk aan kunnen beantwoorden. Daarbij willen ze wel de indruk in
stand houden dat zij zulke voortreffelijke mensen en leiders zijn.
Daarom zorgen ze ervoor steeds op de plekken te zijn waar ze gezien
worden. Ze maken bij het gebed de riemen om hun armen en hoofd
opvallend groot.
Meer dan eens stelt Jezus hier tegenover een andere houding. Als zijn
leerlingen ruzie maken om de eerste plaats in zijn koninkrijk maakt Hij
duidelijk dat Hij dit bij zijn leerlingen niet wil. Net als vandaag
zegt Hij dan dat de grootste de dienaar moet zijn van de anderen. (Mt.
20, 26-27) Een andere keer verduidelijkt Hij dit door een kind centraal
te stellen: “Wie zich klein maakt als dit kind, is de grootste in het
koninkrijk der hemelen.” Vandaag waarschuwt Jezus concreet voor het
gebruik van eretitels: Noem iemand geen rabbi, geen meester, geen
vader. Al deze namen kunnen ons er van afleiden dat niemand van ons
groter is dan de ander, en dat wij allemaal kinderen zijn van dezelfde
God, leerlingen in hetzelfde leven, geroepen om mee te werken aan een
goed en menswaardig bestaan in dezelfde wereld. Uiteindelijk gaat het
er zelfs niet om of we iemand aan kunnen wijzen als dé Messias, maar
het komt er op aan of wij met elkaar en met Gods hulp een wereld
creëren waarin mensen tot hun recht komen, en de graadmeter daarvoor
zijn altijd de armsten en zwaksten.
Daarom ook wil Jezus niet dat de Farizeeën mensen ondraaglijk zware
lasten opleggen, en zegt Hij zelf: “Komt allen tot Mij, die afgemat en
belast zijn, en Ik zal u rust geven. Kom bij Mij in de leer, want Ik
ben zachtmoedig en eenvoudig van hart, en u zult rust vinden voor uw
ziel, voor de kern van uw leven.”
Parallel aan de waarschuwingen van Jezus horen we vandaag in de eerste
lezing hoe de profeet Maleachi de kritiek verwoordt op de priesters van
zijn tijd. Die priesters, afstammelingen van Levi, hadden twee
hoofdtaken, namelijk om het volk te onderrichten in de Tora en om
offers te brengen, en in beide schieten zij schromelijk tekort. Bij het
brengen van offers wordt niet het beste geofferd, maar het
minderwaardige, de restanten die anders waarschijnlijk weggegooid
zouden worden. Het is alsof we nu een kerk zouden aankleden met wat
afgedankte gordijnen van thuis. Het andere verwijt dat de priesters
wordt gemaakt is dat ze niet alleen zelf afdwalen maar door hun
voorbeeld en onderwijs ook het volk misleiden, een zware beschuldiging
voor wie in Gods naam verantwoordelijkheid draagt voor anderen.
Als ik deze beide lezingen van vandaag probeer te vertalen naar onze
parochie van nu, lees ik daarin een bevestiging dat het belangrijk is
dat wij onze liturgie goed en zorgvuldig vieren, dat het klopt wat we
hier zeggen en doen. Hoe wij hier Gods lof zingen, is als het goed is
een uitdrukking en ondersteuning van hoe wij mensen elkaar tot ons
recht laten komen, in onze parochie en daarbuiten. Vieren en leven
dienen met elkaar in overeenstemming te zijn. Anderen horen in ons
leven te kunnen herkennen hoe wij hier vieren, belijden en zingen.
“Niet de uitbuiters, de moordenaars en tirannen hebben het voor het
zeggen, maar het kind en de arme moet het recht krijgen dat hun
tebehoort.” Dat hoort ook het uitgangspunt te zijn van ons leven buiten
deze muren, opdat ze over ons niet kunnen zeggen: “Luister gerust naar
hun mooie woorden, maar volg hun voorbeeld alsjeblieft niet na.”
Waarachtige godsdienst is díenst van God en mens, zowel naar het
uiterlijk als naar het innerlijk.
Waarachtige godsdienst is dienst (2005)
A-cyclus · Tijd door het jaar · 31e zondag · groen