Waarachtige godsdienst is dienst (2005)

A-cyclus · Tijd door het jaar · 31e zondag · groen

“De grootste van u zal uw dienaar zijn. Wie zich verheft, zal vernederd worden, en wie zich vernedert, zal verheven worden.”

Bij deze uitspraak van Jezus uit het evangelie moet ik denken aan paus Paulus VI. Toen na eeuwen van verwijdering tussen de Oosterse orthodoxe kerken en de Latijnse Roomse kerk voor het eerst weer een ontmoeting op topniveau plaatsvond tussen de paus van Rome en (ik meen) de patriarch van Constantinopel, werd in Rome heel goed nagedacht over de plaatsen waar de stoelen moesten staan, wie wel en niet op een verhoging mochten zitten, wie als eerste mocht spreken, en hoe duidelijk moest worden dat Paulus VI de gastheer was en de ander de genodigde. Toen het moment van de ontmoeting daar was, sloeg de paus alle adviezen in de wind, ging naar zijn gast toe, kuste zijn voeten en zei: “Ik wil geen macht, ik wil broederschap.”

De uitspraak van Jezus staat in de context van zijn waarschuwing aan de menigte dat zij moeten uitkijken voor de schriftgeleerden en de Farizeeën. Jezus maakt daarbij wel een duidelijk onderscheid: Hun woorden deugen wel, maar hun daden niet. De Farizeeën en Schriftgeleerden hadden de taak om het volk te onderrichten in de Tora, de richtlijnen voor het leven die God aan Mozes had gegeven. Zij zaten nu als het ware op de stoel van Mozes en moesten het volk leiden, en dat deden ze voortreffelijk, ook of juist in hele moeilijke en verwarrende tijden. Dat Jezus met hen in discussie gaat is dan ook heel normaal. Het is een teken dat zij gezaghebbend waren en dat de discussie de normale Joodse manier was (is) om samen inhoudelijk verder te komen. Waar Jezus hier en op andere momenten tekeergaat tegen de Farizeeën moeten we dus concluderen dat het gaat om een aantal mensen uit hun midden die zich graag lieten voorstaan op hun positie. Zij leggen anderen onmogelijke eisen op en houden idealen voor waar ze zelf onmogelijk aan kunnen beantwoorden. Daarbij willen ze wel de indruk in stand houden dat zij zulke voortreffelijke mensen en leiders zijn. Daarom zorgen ze ervoor steeds op de plekken te zijn waar ze gezien worden. Ze maken bij het gebed de riemen om hun armen en hoofd opvallend groot.

Meer dan eens stelt Jezus hier tegenover een andere houding. Als zijn leerlingen ruzie maken om de eerste plaats in zijn koninkrijk maakt Hij duidelijk dat Hij dit bij zijn leerlingen niet wil. Net als vandaag zegt Hij dan dat de grootste de dienaar moet zijn van de anderen. (Mt. 20, 26-27) Een andere keer verduidelijkt Hij dit door een kind centraal te stellen: “Wie zich klein maakt als dit kind, is de grootste in het koninkrijk der hemelen.” Vandaag waarschuwt Jezus concreet voor het gebruik van eretitels: Noem iemand geen rabbi, geen meester, geen vader. Al deze namen kunnen ons er van afleiden dat niemand van ons groter is dan de ander, en dat wij allemaal kinderen zijn van dezelfde God, leerlingen in hetzelfde leven, geroepen om mee te werken aan een goed en menswaardig bestaan in dezelfde wereld. Uiteindelijk gaat het er zelfs niet om of we iemand aan kunnen wijzen als dé Messias, maar het komt er op aan of wij met elkaar en met Gods hulp een wereld creëren waarin mensen tot hun recht komen, en de graadmeter daarvoor zijn altijd de armsten en zwaksten.

Daarom ook wil Jezus niet dat de Farizeeën mensen ondraaglijk zware lasten opleggen, en zegt Hij zelf: “Komt allen tot Mij, die afgemat en belast zijn, en Ik zal u rust geven. Kom bij Mij in de leer, want Ik ben zachtmoedig en eenvoudig van hart, en u zult rust vinden voor uw ziel, voor de kern van uw leven.”

Parallel aan de waarschuwingen van Jezus horen we vandaag in de eerste lezing hoe de profeet Maleachi de kritiek verwoordt op de priesters van zijn tijd. Die priesters, afstammelingen van Levi, hadden twee hoofdtaken, namelijk om het volk te onderrichten in de Tora en om offers te brengen, en in beide schieten zij schromelijk tekort. Bij het brengen van offers wordt niet het beste geofferd, maar het minderwaardige, de restanten die anders waarschijnlijk weggegooid zouden worden. Het is alsof we nu een kerk zouden aankleden met wat afgedankte gordijnen van thuis. Het andere verwijt dat de priesters wordt gemaakt is dat ze niet alleen zelf afdwalen maar door hun voorbeeld en onderwijs ook het volk misleiden, een zware beschuldiging voor wie in Gods naam verantwoordelijkheid draagt voor anderen.

Als ik deze beide lezingen van vandaag probeer te vertalen naar onze parochie van nu, lees ik daarin een bevestiging dat het belangrijk is dat wij onze liturgie goed en zorgvuldig vieren, dat het klopt wat we hier zeggen en doen. Hoe wij hier Gods lof zingen, is als het goed is een uitdrukking en ondersteuning van hoe wij mensen elkaar tot ons recht laten komen, in onze parochie en daarbuiten. Vieren en leven dienen met elkaar in overeenstemming te zijn. Anderen horen in ons leven te kunnen herkennen hoe wij hier vieren, belijden en zingen. “Niet de uitbuiters, de moordenaars en tirannen hebben het voor het zeggen, maar het kind en de arme moet het recht krijgen dat hun tebehoort.” Dat hoort ook het uitgangspunt te zijn van ons leven buiten deze muren, opdat ze over ons niet kunnen zeggen: “Luister gerust naar hun mooie woorden, maar volg hun voorbeeld alsjeblieft niet na.” Waarachtige godsdienst is díenst van God en mens, zowel naar het uiterlijk als naar het innerlijk.

Zoeken in Preken Online