Geboden (2008)

A-cyclus · Tijd door het jaar · 30e zondag · groen

Er is in onze tijd een grote honger naar God. Mensen zoeken te midden van allerlei onzekerheid naar een houvast, naar een stabiel ankerpunt, naar een betrouwbare bron om vanuit te leven. Er is een grote honger. Maar is er ook voedsel dat deze honger werkelijk stilt? Daar wordt verschillend over gedacht. Kan dat nog wel, een vast baken in de zo veranderlijke tijd? De wereld verandert, de mensen veranderen. Wat kan er nog blijvend zijn? Er is een tijd geweest dat sommigen zeiden: de tijd van de grote verhalen is voorbij. De tijd is voorbij van de zekerheid die ideologieën en ook het christendom boden. We beseffen, zo werd er gezegd, dat we in een gebroken en onzekere wereld leven. Vastklampen aan zekerheden is zelfbedrog. Durf te leven met de voorlopigheid en de gebrekkigheid van alle kennis en inzicht. De filosofen onder hen noemden zich postmodern: modern waren de ideologieën, de - ismen: het communisme, maar ook het fascisme en het liberalisme. De vorige eeuw liet zien dat ze miljoenen slachtoffers voortbrachten. Dat nooit meer. Niet meer achter vaandels aanlopen, maar kritisch blijven, en onbevangen proberen waar te nemen, pragmatisch worden, je ideeën en plannen steeds bijstellen naar bevind van zaken. Het zogenaamd moderne was zelfbedrog. Dat moeten we achter ons laten, werd er gezegd. Vandaar de naam postmodern; de tijd ná het moderne is aangebroken. Misschien herkent u zich erin. Misschien ook niet. Hoe het ook zij: de vraag blijft: kan het geloof in God voedsel zijn dat werkelijk ook in deze tijd onze honger naar geluk en geborgenheid stilt?

De postmoderne filosofen noemden het christendom in één adem met de grote denkstelsels van de vorige eeuw. Maar hoort het christelijke geloof wel thuis in het rijtje van de grote ideologieën? In de rij van de schijnzekerheden die volgens hen hebben afgedaan en waar je voor moet waarschuwen? Dat wordt wel beweerd, zeker in ons land waar steeds minder mensen naar een kerk gaan. En helaas, moet ik zeggen: soms klopt het ook wel. Het christelijke geloof wórdt een ideologie als het wordt ingezet om angst en onzekerheid te bezweren. Als het een harnas wordt of een betonnen vesting, een vorm van fundamentalisme. Als nieuwe inzichten of nieuwe ervaringen niet welkom zijn, enkel omdat ze onzeker maken. Als mensen zich vastklampen aan hun interpretatie van de Bijbelse boodschap. Dus als de angst voor de boze wereld de overhand krijgt boven liefde en mededogen. Liefde voor jezelf, voor de ander; liefde voor deze gebroken en kwetsbare, steeds weer veranderende wereld.

Meestal zijn christenen gelukkig niet zo. Ik denk dat u en ik ook niet zo willen zijn. En dat we ook niet meer zo kúnnen zijn. Omdat we weten: het gaat om geloof, om hoop en om liefde door alles heen. Het geloof is zoveel meer dan een vluchtheuvel, of een schuilplaats voor de boze wereld. Het geloof is iets dat ons draagt. Vreugde en dankbaarheid schenkt het ons, en daardoor staat heel ons doen en laten in een ander perspectief.

Het geloof is een houvast, zeker, maar niet zozeer voor het hoofd. Met het hoofd, met ons menselijke, beperkte verstand, is deze wereld nogal eens niet te begrijpen. Waarom is het leven zoals het is, zo kwetsbaar, zo vol tegenstellingen. Waarom is er zoveel lijden, onrecht en dood, en waarom gaan we zo slecht met moeder aarde om? Waarom is de kracht van het kwade soms zo sterk? Het is onbegrijpelijk. Met het hoofd zijn het bestaan van God en Zijn grote daden ook niet te begrijpen. Wat brengt mensen er toch toe om ondanks alles in het goede te blijven geloven? Hoe is het mogelijk dat de liefde van God soms zo zichtbaar sterker is dan alle kwaad, en sterker dan de dood? Voor het hoofd zijn de dingen van deze aarde en ook de dingen van de hemel vaak ondoorgrondelijk.

Toch is het geloof een houvast; niet zozeer voor het hoofd maar eerder voor het hart. Met het hart, met de kracht van de liefde die God in ons gelegd heeft kunnen we de dingen van deze aarde en ook de dingen van de hemel leren aanvaarden, ondanks al je vragen leren omhelzen, en een plaats geven in ons leven.

Nu kom ik bij de lezingen; lezingen waar het gaat over geboden en verboden. De tweede lezing, uit Deuteronomium, hebben we gehoord als lied. Fundamentalistische christenen houden erg van geboden en verboden. Het geeft een duidelijke structuur, het geeft vastigheid. Je weet precies wie goed is en wie slecht. Heerlijk is dat als je diep van binnen bang bent voor het leven. Heerlijk als er geen grijstinten hoeven zijn tussen wit en zwart, en als er op alle vragen een eenduidig antwoord is. Geen dilemma’s, geen moeilijke morele afwegingen. Het lijkt heerlijk, maar het werkt niet. Je loopt stuk op de realiteit van het leven. En bovendien: het moralisme van starre mensen wordt gemakkelijk gewelddadig. Het leidt tot uitsluiting. Je wilt niets meer te maken hebben met mensen die andere keuzes maken, of die in jouw ogen gefaald hebben: met criminelen en junks, met klaplopers en vandalen, met alles en iedereen die anders is en anders denkt en anders handelt dan jij. Jouw christelijke levenswijze is immers beter? Geboden en verboden uit de Schrift kunnen een muur worden waarachter je je verschuilt voor de boze wereld. En je hebt niet in de gaten dat het kwaad net zo goed in jou aanwezig is. Dat je de bijbel misbruikt als een stok om anderen mee te slaan. Terwijl die anderen jou misschien wel veel duidelijk zouden kunnen maken over de inhoud van de Bijbelse boodschap. Als je tenminste de ontmoeting met hen aan zou durven gaan.

Kun je ook anders omgaan met Bijbelse geboden en verboden? Ik weet het wel zeker. In mijn eigen traditie, de katholieke, wordt ethiek belangrijk gevonden, heel belangrijk. Geen goed leven zonder duidelijke regels, zonder heldere normen en waarden. Maar echte geborgenheid kun je er niet aan ontlenen. Regels zijn hulpmiddelen. Het wezenlijke gebeurt op een dieper niveau dan op de laag van het geweten. Echte geborgenheid, een betrouwbaar houvast moet een dieper anker hebben dan in de kennis van goed en kwaad. Het is echt zoals Paulus zegt: “Al had ik de gave om te profeteren en doorgrondde ik alle geheimen, al bezat ik alle kennis en had ik het geloof dat bergen kan verplaatsen - had ik de liefde niet, ik zou niets zijn. Al verkocht ik mijn bezittingen omdat ik voedsel aan de armen wilde geven, al gaf ik mijn lichaam prijs en kon ik daar trots op zijn - had ik de liefde niet, het zou mij niets baten.” Aldus Paulus in de Korintiërsbrief.

Met Paulus zie ik de betrekkelijkheid van mensen die zo nodig goed moeten zijn. De mensen van de hoge moraal die het allemaal zo goed weten; ze lopen het gevaar dat het wezenlijke hen ontglipt: de liefdesrelatie met God. Een relatie waarbij God de bron is van alle liefde en van alle geboden. Een relatie, waardoor wij mensen uit kunnen groeien tot mannen en vrouwen die liefhebben én deugen. Omdat we, in alle gebrekkigheid, ten diepste betrouwbaar geworden zijn. Omdat we met vallen en opstaan mensen geworden zijn die van anderen kunnen houden. Die het ook toelaten om zelf, hoe beperkt we ook zijn, bemind te worden, door God en de mensen.

Geboden zijn heel belangrijk. Maar het is net als in de relatie tussen ouders en kinderen. De geboden komen in het verlengde van iets anders: van de liefde. De liefde gaat voor alles. Geboden en regels zijn hulpmiddelen. Als ouders alleen maar regels stellen en geen liefde schenken, dan vinden de kinderen geen geborgenheid. Er is wel structuur, maar het doel ervan, het perspectief ontbreekt: dat het uiteindelijk draait om de liefde. Zo is het ook in de relatie tussen God en ons. Je kunt het goede doen, van binnen uit, als je je ten diepste bemind weet door God en de mensen. Daarvoor komen we samen, daarvoor zijn we samen kerk: om de liefde van God voor ons en heel de schepping te noemen, toe te laten, te vieren, diep in ons op te nemen. De liefde van God voor ons, kwetsbare en gebrekkige, fouten makende mensen; ze is iets fascinerends, iets ondoorgrondelijks, en tegelijk is ze fundamenteel: alleen de ervaring en het besef van deze liefde geeft de geborgenheid waarnaar wij allen zo verlangen.

Er is nog iets meer te zeggen over de relatie tussen geloof en ethiek, en tussen goddelijke liefde en menselijke goedheid. Iets uit mijn eigen traditie. U weet misschien dat katholieken veel waarde toekennen aan de liefde van God en tot God. Maar dat ze bij het zoeken naar God een belangrijke plaats inruimen voor de goede werken, voor het doen van het goede. Ik kan het niet nalaten, nu het in de lezingen over geboden gaat, daar iets over te zeggen.

In de lezingen worden een aantal goede werken genoemd: vreemdelingen goed behandelen, rechtdoen aan weduwen en wezen, een arme niet uitpersen en vernederen, want hij of zij heeft de mantel echt nodig om onder te slapen. En in het evangelie hoorden we: je naaste beminnen als jezelf. Onder invloed van de joodse filosoof Martin Buber wordt dat laatste nogal eens vertaald als: je naaste beminnen, want die is even kwetsbaar als jezelf. In mijn traditie wordt gezegd: het doen van het goede, van al dit soort dingen dus, kan je op het spoor brengen van Gods geheim. Duur gezegd heet dat: het doen van het goede is mistagogisch.

Dat is anders dan in het calvinisme, waarin wordt gezegd: het geheim van Gods liefde kun je alleen door Christus op het spoor komen. “Solus Christus, sola fide, sola scriptura” zei Luther en na hem Calvijn. Alleen door Christus, alleen door het geloof, alleen door de Schrift. Niet door ons menselijk handelen zelf dus, en niet door onze bestaanservaring. Want ons handelen en onze ervaring zijn ten diepste getekend door de zonde. Uit onszelf kunnen we God niet op het spoor komen. De openbaring is enkel en alleen het werk van God zelf, in Christus Jezus. Dat is, misschien wat kort door de bocht geformuleerd, een belangrijk accentverschil tussen katholieken en calvinisten.

Nu het over het eerste en het tweede gebod gaat, wil ik het opnemen voor de goede werken bij het komen tot geloof. Ik weet niet hoe uw ervaring ermee is, maar het doen van het goede vind ik geen eenvoudige zaak. Ik heb in Nieuwegein wat ervaring, in oecumenisch verband, opgedaan met het opvangen van uitgeprocedeerde vreemdelingen. Met een groep mensen, katholieken en protestanten, hebben we hemel en aarde bewogen, en uiteindelijk kregen we € 25.000 van de Gemeente om een noodopvang in een huis in de Doorslag te realiseren. Ook vanuit de kerken kwam er geld, en veel spullen om het huis in te richten. Elf mensen, waaronder ook twee kinderen, waren bij ons te gast voor korte of langere tijd. Er is een man teruggegaan naar Somalië. Er is een zwarte man verongelukt: de vrolijke en luidruchtige Bobby Johnson, die ook hier in IJsselstein Straatnieuws heeft verkocht. Hij verdronk met zijn invalidenwagen in het koude water van de Hollandse IJssel. Iemand mocht alsnog blijven als schrijnend geval. En een aantal anderen vallen nu onder het Generaal Pardon en krijgen alsnog een verblijfsvergunning. We hopen dat een jonge Vietnamese vrouw niet alsnog in de illegale prostitutie is terechtgekomen. Toen we eraan begonnen was onze enige gedachte: het huidige toelatingsbeleid is onrechtvaardig. Daarom willen we iets doen. We willen iets doen voor een aantal van deze mensen. En we willen een teken stellen. Het was niet gemakkelijk. De wetgeving zat muurvast. En de afkeer van vluchtelingen groeide met het jaar. Het maakte ons wel eens moedeloos. Gelukkig kwam het Generaal Pardon. Het huis kon worden gesloten. Maar ook daarna konden we ons gruwelijk ergeren aan het gepraat van Wilders en Verdonk. Niet alleen over de islam, maar ook over migranten in het algemeen. Verdonk bijvoorbeeld onlangs met haar rekensommetje, dat de migranten ons miljarden zouden kosten, omdat ze door de bank genomen heel hun leven in een uitkering zouden blijven hangen. Pas nog heb ik de coördinator van Vluchtelingenwerk in Nieuwegein geïnterviewd, bij zijn afscheid na 15 jaar. Hij zei: 75 % van de vluchtelingen vindt op termijn werk en betaalt belasting. De kinderen zijn vaak heel gemotiveerd om een goede opleiding te volgen. Ons land heeft zulke mensen hard nodig.

Waarom heb ik nu deze inzet voor vreemdelingen ervaren als bijdragend aan de groei van mijn geloof? Omdat ik en de anderen met mij steeds weer stootten op grenzen. Grenzen van onszelf, grenzen van de vluchtelingen, grenzen bij Nederlanders, grenzen in de wetgeving. Dat werkt confronterend, maar ook heel zuiverend. Je beseft: je houdt dit alleen vol als het je niet uitsluitend gaat om het succes. Succes is wel belangrijk, en daar doe je het ook voor, al was het maar voor een enkele persoon. Maar je diepste motivatie kan dat niet zijn. Je kunt het goede blijven doen, als je je niet totaal afhankelijk maakt van succes. Dat succes bleef ook maanden uit. Je houdt het vol als je het goede doet om het goede zelf. De inspiratie mag niet alleen afhankelijk zijn van het succes. En dat was het ook niet. De inspiratie kwam ook door samen goed om te gaan met de ondervonden weerstanden. De inspiratie kwam ook in het persoonlijke contact met de bewoners. Ik heb het over inspiratie, want het werd ons geschonken. De inspiratie kón ons ook geschonken worden omdat we het avontuur samen waren aangegaan, als oecumenische werkgroep samen met de bewoners.

Door dit soort inzet heb ik anderen en ook mezelf zien groeien, in inzicht, in weerbaarheid, maar ook in geloof, in hoop, in liefde. Ook al was het tegelijkertijd allemaal gebrekkig mensenwerk. Als je leert om het goede te doen enkel om het goede zelf, als je je niet afhankelijk maakt van succes, dan maak je innerlijk een groei door. Met een oppervlakkig “Ik wil als christen graag goed zijn voor mensen in nood” red je het niet. De motivatie moet van dieper komen. Je wortels rijken, als je het avontuur aan durft te gaan, gaandeweg naar dieper water, naar een diepere bron. Ook zonder Christus. Er was een Sikh lid van de werkgroep. Dat is geen geit maar een Indiase meneer die in Utrecht rechten studeerde. Sikhs zijn herkenbaar aan hun tulband. Hij geloofde niet in Christus en las nooit in de Bijbel. Hij had een ander boek. Maar daarom kon de Geest van Christus wel in hem werkzaam zijn. Zo gelooft althans de katholieke traditie: de Geest van God zweefde al vanaf de eerste scheppingsdag over de chaosmachten. De Geest van Christus is met Pasen uitgestort over alle vlees. In alle mensen is daarmee het verlangen gelegd om God te zoeken en uit God te leven. De Geest van God is werkzaam in de hele schepping. En sporen van openbaring zijn te vinden in alle grote wereldgodsdiensten, zegt mijn traditie. Dat is de basis om met alle mensen van goede wil samen te werken. Ook al vinden wij zelf dat het geloof zijn vervulling vindt in Christus.

Het heeft voor mij iets ontspannends, dat besef dat God werkzaam is in alle mensen. De redding van de wereld hoeft niet alleen van christenen te komen. God heeft alle mensen even lief. Zijn liefde gaat vooraf aan alle geboden. En als niet-christenen het goede, het ware en het schone dienen, dan is de Geest van God in hen werkzaam, ook al zullen zij dat zelf niet zo noemen. Wij zijn wel christenen. De Heer van de Schrift speelt een onmisbare rol in ons leven. Niet als pamperaar, die ons alleen maar liefheeft en knuffelt. Niet als moralist, die ons mores leert, normen en waarden inprent. Nee, het is de Heer die ook het leven schenkt en ons liefheeft en daarom ieder van ons de weg door het leven wil laten vinden. Daar horen ook taken bij, een roeping, iets dat ons uitdaagt en ons gelukkig kan maken. Ieder weer op een andere manier, afhankelijk van onze talenten, onze geschiedenis en onze openheid voor Zijn stem.

Het eerste en het tweede gebod, ze hangen voor ons als christenen nauw samen. “De Heer, onze God, beminnen met heel ons hart, heel onze ziel en heel ons verstand. En onze naaste liefhebben, die mens is zoals wij”. Het is door samen te vieren, en samen de Schrift te overdenken, én door het avontuur van ons leven aan te gaan, dat onze wortels kunnen rijken naar steeds dieper water. Wij mensen kunnen groeien aan het leven. We kunnen worden zoals die boom uit psalm 1: “Gelukkig de mens die niet meegaat met wie kwaad doen, die de weg van de zondaars niet betreedt, bij spotters niet aan tafel zit, maar vreugde vindt in de wet van de Heer en zich verdiept in zijn wet, dag en nacht. Hij of zij zal zijn als een boom geplant aan levend water. Op tijd draagt hij vrucht, zijn bladeren verdorren iet. Alles wat hij doet komt tot bloei”. Aldus de psalmist. We kunnen ook verstarren. Verstarren in liefdeloze inzet, in cynisme, en ook in een vastklampen aan de bijbel of aan de kerk als was ze een reddingsboei in een woelige donkere zee. Maar ook dan laat God ons niet los. Er is altijd een weg terug naar innerlijke vrede, naar de weg van de liefde. Omdat God liefde is.

“Niemand is goed, God alleen”, zegt de Schrift. Of we nu verslaafd zijn of in diepe rouw gedompeld of succesvol en met liefde leidinggeven aan een groot project, het is steeds weer de liefdevolle stem van God die ons kan roepen: waar ben je? Ik verlang ernaar je te ontmoeten. Laat jezelf zien, hoe je er ook aan toe bent. Trots of angstig, schaamtevol of vrolijk, dansend of wegkwijnend, dat maakt niet uit. Laat je zien zoals je bent, en laat je omhelzen. En ik, de Heer die je liefheeft, zal je kracht geven, en troost, en soepelheid, en vertrouwen, en moed, en geduld, en wijsheid, en inzicht. Al die gaven van Gods Geest wil ik je schenken, omdat je je hart opent voor mij. Misschien ga je nog dieper ontdekken wat jouw roeping is, jouw bestemming, dat wat ik al bij je geboorte in je heb gelegd en waarvan ik weet dat het je gelukkig kan maken".

Moge die relatie tussen God en ons zich steeds weer verdiepen, bij ieder hier aanwezig en bij allen die Hij liefheeft.

Overweging in de Basiliek bij Exodus 22, 20-26 en Matteüs 22, 34-40

Er is in onze tijd een grote honger naar God. Mensen zoeken te midden van allerlei onzekerheid naar een houvast, naar een stabiel ankerpunt, naar een betrouwbare bron om vanuit te leven. Er is een grote honger. Maar is er ook voedsel dat deze honger werkelijk stilt? In onze eigen traditie, de katholieke, wordt ethiek belangrijk gevonden, heel belangrijk. Geen goed leven zonder duidelijke regels, zonder heldere normen en waarden. Maar echte geborgenheid kun je er niet aan ontlenen. Regels zijn hulpmiddelen. Het wezenlijke gebeurt op een dieper niveau dan op de laag van het geweten. Echte geborgenheid, een betrouwbaar houvast moet een dieper anker hebben dan in de kennis van goed en kwaad. Geboden zijn heel belangrijk. Maar het is net als in de relatie tussen ouders en kinderen. De geboden komen in het verlengde van iets anders: van de liefde. De liefde gaat voor alles. Geboden en regels zijn hulpmiddelen. Als ouders alleen maar regels stellen en geen liefde schenken, dan vinden de kinderen geen geborgenheid. Er is wel structuur, maar het doel ervan, het perspectief ontbreekt: dat het uiteindelijk draait om de liefde. Zo is het ook in de relatie tussen God en ons. Je kunt het goede doen, van binnen uit, als je je ten diepste bemind weet door God en de mensen. Daarvoor komen we samen, daarvoor zijn we samen kerk: om de liefde van God voor ons en heel de schepping te noemen, toe te laten, te vieren, diep in ons op te nemen. De liefde van God voor ons, kwetsbare en gebrekkige, fouten makende mensen; ze is iets fascinerends, iets ondoorgrondelijks, en tegelijk is ze fundamenteel: alleen de ervaring en het besef van deze liefde geeft de geborgenheid waarnaar wij allen zo verlangen.

In de lezingen worden een aantal goede werken genoemd: vreemdelingen goed behandelen, rechtdoen aan weduwen en wezen, een arme niet uitpersen en vernederen, want hij of zij heeft de mantel echt nodig om onder te slapen. En in het evangelie hoorden we: je naaste beminnen als jezelf. Onder invloed van de joodse filosoof Martin Buber wordt dat laatste nogal eens vertaald als: je naaste beminnen, want die is even kwetsbaar als jezelf.

Ik weet niet hoe uw ervaring ermee is, maar het doen van het goede vind ik geen eenvoudige zaak. Neem nou dat gebod over het goed behandelen van vreemdelingen. Ik heb in Nieuwegein wat ervaring, in oecumenisch verband, opgedaan met het opvangen van uitgeprocedeerde vreemdelingen. Met een groep mensen, katholiek en protestant, hebben we hemel en aarde bewogen, en uiteindelijk kregen we € 25.000 van de Gemeente om een noodopvang in een huis in de Doorslag te realiseren. Ook vanuit de kerken kwam er geld, en veel spullen om het huis in te richten. Elf mensen, waaronder ook twee kinderen, waren bij ons te gast voor korte of langere tijd. Er is een man teruggegaan naar Somalië. Er is een zwarte man verongelukt: de vrolijke en luidruchtige Bobby Johnson, die ook hier in IJsselstein Straatnieuws heeft verkocht. Hij verdronk met zijn invalidenwagen in het koude water van de Hollandse IJssel. Iemand mocht alsnog blijven als schrijnend geval. En een aantal anderen vallen nu onder het Generaal Pardon en krijgen alsnog een verblijfsvergunning. We hopen dat een jonge Vietnamese vrouw niet alsnog in de illegale prostitutie is terechtgekomen. Toen we eraan begonnen was onze enige gedachte: het huidige toelatingsbeleid is onrechtvaardig. Daarom willen we iets doen. We willen iets doen voor een aantal van deze mensen. En we willen een teken stellen. Het was niet gemakkelijk. De wetgeving zat muurvast. En de afkeer van vluchtelingen groeide met het jaar. Het maakte ons wel eens moedeloos. Gelukkig kwam het Generaal Pardon. Het huis kon worden gesloten. Maar ook daarna konden we ons gruwelijk ergeren aan het gepraat van Wilders en Verdonk. Niet alleen over de islam, maar ook over migranten in het algemeen. Verdonk bijvoorbeeld onlangs met haar rekensommetje, dat de migranten ons miljarden zouden kosten, omdat ze door de bank genomen heel hun leven in een uitkering zouden blijven hangen. Dat klopt helemaal niet. Pas nog heb ik de coördinator van Vluchtelingenwerk in Nieuwegein geïnterviewd, bij zijn afscheid na 15 jaar. Hij zei: 75 % van de vluchtelingen vindt op termijn werk en betaalt belasting. De kinderen zijn vaak heel gemotiveerd om een goede opleiding te volgen. Ons land heeft zulke mensen hard nodig.

Ik heb deze inzet voor vreemdelingen ervaren als bijdragend aan de groei van mijn geloof. Omdat ik en de anderen met mij steeds weer stootten op grenzen. Grenzen van onszelf, grenzen van de vluchtelingen, grenzen bij Nederlanders, grenzen in de wetgeving. Dat werkt confronterend, maar ook heel zuiverend. Je beseft: je houdt dit alleen vol als het je niet uitsluitend gaat om het succes. Succes is wel belangrijk, en daar doe je het ook voor, al was het maar voor een enkel persoon. Maar je diepste motivatie kan dat niet zijn. Je kunt het goede blijven doen, als je je niet totaal afhankelijk maakt van succes. Dat succes bleef maanden uit, en gold ook maar voor een aantal mensen. We merkten: je houdt het vol als je het goede doet om het goede zelf. De inspiratie mag niet afhankelijk zijn van het succes. De inspiratie komt ook door samen goed om te gaan met de ondervonden weerstanden. De inspiratie komt ook in het persoonlijke contact met de bewoners. Ik heb het over inspiratie, want het werd ons geschonken. De inspiratie kon ons geschonken worden omdat we het avontuur samen waren aangegaan, samen als oecumenische werkgroep en samen met de bewoners.

Door dit soort inzet heb ik anderen en ook mezelf zien groeien, in inzicht, in weerbaarheid, maar ook in geloof, in hoop, in liefde. Ook al was het tegelijkertijd allemaal gebrekkig mensenwerk. Als je leert om het goede te doen enkel om het goede zelf, als je je niet afhankelijk maakt van succes, dan maak je innerlijk een groei door. Met een oppervlakkig “Ik wil als christen graag goed zijn voor mensen in nood” red je het niet. De motivatie moet van dieper komen. Je wortels rijken, als je het avontuur durft aan te gaan, gaandeweg naar dieper water, naar een diepere bron. Zo kun je ontdekken dat de liefde van God, die voorafgaat aan alle geboden, werkelijk naar je toekomt. Die ervaring wens ik ook u allen toe.

Zoeken in Preken Online