Jezus wordt vandaag gevraagd naar het hart van de verkondiging: wat is volgens Hem de belangrijkste opdracht van de mens? Het dubbelgebod van de liefde klinkt helder en verstaanbaar. Toch ervaren we in onze tijd dat het lastig is om onze samenleving daarop te bouwen. Uit de concrete invulling die in de eerste lezing wordt gegeven van dit dubbelgebod, blijkt wat er gevraagd kan worden van mensen. Op allerlei manieren wordt de geldingskracht van deze opdracht ingeperkt. In deze onrustige tijd van de financiële en economische crisis lijken mensen eerst hun eigen toekomst te willen veilig stellen en dan pas komen de naaste en wellicht nog God aan bod.
Beseffen we zelf welke concrete invulling dit dubbelgebod van de liefde van ons vraagt. Voelen we ons werkelijk met de naaste verbonden, ervaren we dat het God is die ons met elkaar verbindt?
Het lijkt een vraag naar de bekende weg wanneer de wetgeleerde Jezus naar het grootste gebod vraagt. De meesten van ons kunnen dit antwoord waarschijnlijk inmiddels wel dromen, waarom zouden de Farizeeën en wetgeleerden dan dit antwoord niet kennen? Het kan alleen maar met slechte bedoelingen zijn dat deze vraag aan Jezus gesteld wordt. ‘Om hem op de proef te stellen’ schrijft Matteüs.
Dat is begrijpelijk omdat de spanning rond Jezus oploopt: Hij is inmiddels aangekomen in Jeruzalem, en vervolgens heeft Hij de tempel schoongeveegd van alle handelaren. Nu volgt een aantal gesprekken met Farizeeën en Sadduceeën over het gezag van Jezus. Wie is Hij en wat heeft Hij dan voor een bijzondere boodschap dat Hij zich dit allemaal permitteert?
In de gesprekken die Jezus voert, blijkt dat velen van de deskundigen die Jezus ontmoet, eigenlijk geen notie hebben van waar het in de Bijbel om gaat. Zij weten de teksten heus wel te vinden en kennen de 613 geboden allemaal van buiten en toch, datgene waar het volgens Jezus om draait, ontbreekt hun. Hun kennis zit hen misschien meer in de weg dan dat het hun helpt. Hoe ziet hun relatie met God er eigenlijk uit? Zijn zij in staat om God te beminnen? Zij kennen de geboden van buiten, maar niet van binnen.
Hoe kunnen we echter God beminnen? Is dat niet teveel gevraagd van de mens? Als God ons verstand te boven gaat hoe kunnen we Hem dan beminnen? De moderne mens wil eerst kennen en weten en dan komt pas het beminnen. Is dat niet logisch? Daarom hebben de meeste mensen minder moeite met het tweede deel van dit gebod: de naaste liefhebben. De naaste kun je beter kennen en ontmoeten dan God. Je kunt gemakkelijker te weten komen wat de naaste nodig heeft. Tegen naastenliefde kan dus niemand iets hebben: goed zijn voor andere mensen, wie wil dat niet?
Het is echter minder vanzelfsprekend dan het lijkt. Het zou onze wereld een flink stuk opvrolijken als meer mensen dit daadwerkelijk zouden waarmaken en de concrete consequenties uit deze opdracht zouden trekken, zoals dit in de tekst van Exodus wordt beschreven. Daar wordt beschreven wat dit gebod van naastenliefde kan inhouden. Het blijkt dat dan mensen afhaken wanneer naastenliefde betekent dat je iets van jezelf moet inleveren.
Deze tekst bevat een aardige oefening in economische flexibiliteit. Voor de kwetsbaren gelden andere regels dan normaal. Voor weduwen en wezen, voor vreemdelingen en noodlijdenden moet men barmhartig zijn en niet dezelfde lasten opleggen als die men aan anderen oplegt. De economische wetmatigheden en uitgangspunten moeten even opgeschort worden voor deze mensen. Dat klinkt mooi, maar kun je daar een economie op bouwen? Het zijn onrustige economische tijden die we mee maken en kunnen we het ons dan wel veroorloven om barmhartig te zijn? Exodus is niet op de eerste plaats geïnteresseerd in een gezonde economie. Voor de schrijver van Exodus, voor Mozes, is de algemene gezondheid en saamhorigheid van het volk belangrijker dan de individuele rechten die de afzonderlijke mens meent te moeten gelden. Dat mensen ontevreden zijn en snel de opvatting hebben dat zij het gelag moeten betalen voor de fouten van anderen en het moeten ontgelden omdat anderen hun verantwoordelijkheid niet hebben genomen, klinkt ons akelig vertrouwd in de oren. In interviews die we zien op TV naar aanleiding van de crisis, ligt deze klacht op de lippen van veel mensen. Mozes kent deze klacht uit zijn eigen ervaring wanneer hij met dit weerspannige volk door de woestijn trekt op weg naar het beloofde land.
De twee luiken van het grootste gebod houden elkaar dus in balans. Onze relatie met God maakt duidelijk wie wij zijn. Onze relatie met de naaste maakt duidelijk wat we kunnen doen. Door ons te richten op God, leren we te beseffen dat we uit zijn liefde zijn voortgekomen. Dat helpt ons vervolgens om de naaste als evenbeeld te zien en om in het gelaat van de naaste ook Gods gelaat te zien. Je hebt dus niet alleen je hart nodig, je gevoel, maar ook je verstand. Daardoor kun je de goede afwegingen maken kun je over mogelijke weerstanden tegen je naaste die in de problemen is, heen komen. Zoals Augustinus zegt gaat onze relatie met God over het bestaan zelf over wie we zijn, vervolgens gaat onze relatie met de naaste over wat we doen. Is dat bij ons in balans: doen we zoals we zijn? Handelen we volgens onze principes en gelovige uitgangspunten, of laten we die straks bij de kerkdeur achter?
Jezus maakt de wetgeleerden duidelijk dat zij heel goed weten wat zij moeten doen, maar dat zij nauwelijks beseffen wie zij zijn. Zoals bij de wetgeleerden nodigt Jezus ons uit om ons geloof van buiten, maar ook van binnen te kennen. Dan zal de naastenliefde pas echt vrucht dragen, omdat ze in God gedaan zijn. Moge heel ons leven uitdrukking zijn van dit centrale gebod en al onze daden daarvan afhangen.
Amen