We weten het al lang: het eerste gebod is: bemin God boven alles. Het tweede gebod, gelijk aan het eerste: bemin uw naaste als jezelf. Jezus zegt dat herhaaldelijk. Vorige zondag nog, in het evangelie van die dag. Het was zijn grootste zorg. ‘Bemin elkaar, zoals Ik u heb liefgehad.’ We moeten zelfs onze vijanden liefhebben. Dat zegt Hij. En zij die ons iets hebben misdaan moeten we vergeven. Dat staat in het Onze Vader.
We kunnen over de naastenliefde in het vage spreken of heel concreet. Vandaag helpt het boek Exodus ons concreet te zijn. Geen lieve woorden.
Even een beetje uitleg. De situatie is de volgende: het Joodse volk werd bevrijd uit de slavernij van Egypte. Ze hebben daar ervaren wat het betekent als vreemdelingen behandeld te worden. Maar ze schijnen vergeten te zijn, dat ze er leefden als vreemdelingen die niet aanvaard werden. Zij hadden in hun eigen vlees ervaren wat het was als vreemdelingen behandeld te worden. De Bijbel leert ons nu hoe hard ze konden zijn voor de andere volkeren. Aan dat volk dat letterlijk op de dool is - veertig jaar lang in de woestijn - geeft God richtlijnen. Geboden noemen we dat. En één van die geboden - zoals beschreven in Exodus - legt eerbied op voor de vreemdelingen. ‘Vreemdelingen moet gij gastvrij ontvangen. Maak hen het leven niet moeilijk.’ Behandel ze met eerbied. ‘Denk er aan dat gij zelf als vreemdelingen werd behandeld.'
Ik herinner me nog heel vaag de gebeurtenissen van mei 1940. Toen de vele vluchtelingen uit Frankrijk terug kwamen vertelden ze hoe ze er slecht ontvangen werden. De geschiedenis moet ons leren niet in dezelfde val te trappen. Vluchtelingen vertrekken doorgaans niet uit hun land omdat ze het er goed hebben. Het is niet prettig de vertrouwde omgeving, familie, vrienden achter te laten.
‘Wees gastvrij’ staat er in de Schrift, en maak het die mensen niet moeilijk.
Hoe gemakkelijk verdenken we hen te willen profiteren, de mensen te bedriegen. Wij beladen hen vaak met alle zonden van Israël. Als er ergens gestolen wordt, dan zeggen we bijna spontaan: het waren Marokkanen. De dieven die enkele jaren geleden bij mij inbraken werden gesnapt. Het waren Brusselaars met een naam van bij ons. De mensen die mijn oudste broer hielpen toen hij in de Ravenstijn galerij te Brussel ten gevolge van een hartaanval neerviel waren drie Marokkanen. Barmhartige Marokkanen.
‘Ontheemden en zwakken moogt gij geen onrecht aandoen. Als gij hen uitbuit zal ik het te weten komen. Dan zal Ik, Jahwé, vertoornd zijn en van het onrecht dat gij anderen aandoet zult gij zelf het slachtoffer worden.’ Systematisch hen verdenken van alle kwaad is hen onrecht aandoen.
Ik weet ook met zekerheid hoe sommige vluchtelingen uitgebuit worden, hier in ons land, niet alleen door mensenhandelaars, maar ook door sommige advocaten die voor zo gezegde bijstand zich rijkelijk laten betalen. ‘Gij moogt u niet verrijken door mensen uit te buiten’ hebben we zojuist horen voorlezen. Zij vallen van het ene onrecht in het andere. Ik weet dat er regels zijn die moeten gerespecteerd worden. Een gemeenschap echter die in naam van die regels een kind van drie jaar uitwijst en op een vliegtuig zet, pleegt onrecht. Ik schaamde mij toen ik daarover informatie hoorde en zag op een buitenlands TV-station.
Wij moeten God eren boven alles, met hart en ziel. Het teken echter van onze gods-dienst is de dienst van de mensen, vooral van de zwakken die zonder die dienst niet aan hun trekken kunnen komen. Denk aan het evangelie van vorige zondag. Een kerkgemeenschap die niet dient, dient tot niets. Zij vergeet immers dat het tweede gebod gelijk staat aan het eerste. En liefde voor de mens veronderstelt tederheid.
Wij denken vaak dat het Oude Testament ons niet veel te vertellen heeft. Wat jammer dat we zo slecht onze Bijbel kennen. Vergeet niet de boodschap van vandaag. Zij is voor ieder van ons uitermate actueel, ook voor mij.