Het gebod dat Jezus ons vandaag voorhoudt, confronteert ons met het allerbelangrijkste in het leven van een gelovig mens.
Het is een hachelijke onderneming om vandaag over ‘liefde’ en ‘beminnen’ te spreken. Onze maatschappij houdt ons allerlei beelden van liefde voor, die met de Bijbelse liefde niets te maken hebben.
Wat is dat eigenlijk lief hebben, beminnen? Jezus heeft het over God beminnen en zijn naaste beminnen. Daarenboven stelt hij ze gelijk aan mekaar. Als liefde echt is leidt ze tot geluk. Er is niemand die niet verlangt om gelukkig te zijn.
Er is dus sprake van een verlangen, en dat verlangen gaat uit naar iets waar men van houdt. De laatste tijd valt het op hoeveel de mensen houden van hun geld. Maar er is zoveel angst en vrees om het te verliezen. Het heeft meer met zekerheid, dan met liefde te maken. Het geld verbindt ons met niets en met niemand. Ik zou dus eerder moeten zoeken naar iets wat niet voorbij gaat, iets dat onvergankelijk is, iets wat eeuwig duurt. Wie kan mij nu zoiets garanderen. Zeker geen bankier. Ons geloof zegt: dat kan alleen God. De liefde die Christus ons voorhoudt, verbindt ons met God voor altijd. De mens wordt dus wat hij bemint. Bemint hij het geld, dan wordt hij geld. Verliest hij zijn geld, dan verliest hij zichzelf. Heb je God lief, dan zul je deelhebben aan Gods eeuwigheid.
Waarom lopen we toch altijd weer in diezelfde val. We beweren onze partner lief te hebben, maar we hebben of maken geen tijd voor onze partner. Voor wat het allerbelangrijkste is in ons leven en ons geloof, hebben we geen tijd. Want we lopen achter vreemde goden aan: carrière, macht, aanzien, geld, invloed, zelfbehoud… en die vreemde goden trachten we te verwerven, maar dat gebeurt natuurlijk alleen in een harde wereld, waar van liefde niet veel sprake meer is, maar waar de wet van de sterkste geldt.
Het gebod van de dubbele liefde: ‘God beminnen en je naaste als jezelf’, wil van mij een nieuwe mens maken. Liefde is de volmaaktheid van alles. Zonder de liefde ben ik niets, zegt Paulus, alleen lucht, veel lawaai, maar verder niets.
Augustinus probeert zijn toehoorders aan te sporen om lief te hebben met de liefde van God. Dit is de hoogste vorm van liefde. En dit is mogelijk, want ze is ons geschonken door de H. Geest. Ze maakt ons zelfs in staat om onze vijanden te beminnen, zegt Christus.
Denk na zegt de schrift! Denk van waar je zelf komt of gekomen zijt. Je bent vreemdeling geweest in Egypte, in Frankrijk misschien of Canada. Dus behandel de vreemdelingen in ons midden goed. Bedenk wie je bent en wie je was. En behandel de andere dus met liefde. Het is de enige weg voor de andere om zelf nieuw te worden. Dat is anderen beminnen. Spontane en natuurlijke liefde is dus niet voldoende, zegt Augustinus, want dan sluit je God uit. Je moet streven naar Goddelijke waarheid, wijsheid, vrede en rechtvaardigheid.
Augustinus vat het zo samen in één van zijn bekendste uitspraken: “Bemin en doe wat je wilt, want uit dit beminnen kunnen alleen goede dingen voortkomen.
Wie alleen doet wat hij wil, of graag doet, houdt geen rekening met anderen. In de Goddelijke liefde kun je niets meer doen zonder rekening te houden met anderen.
Zou dit de reden zijn waarom wij afhaken. Waarom we liever vreemde goden achterna lopen?
Wie zegt dat hij God bemint, is alleen geloofwaardig, als dit ook te zien is in zijn handelen tegenover zijn naaste. Anders is dit een grove leugen. God beminnen, zegt Augustinus, begint dus bij de naaste. Je moet dus het gebod van de dubbele liefde voortdurend afwegen, vasthouden, er naar handelen, en volbrengen.
Bedrieg jezelf dus niet door te zeggen: ik bemin God, als die liefde niet op de proef gesteld wordt. Want wie kun je daar dan mee overtuigen? Zou die andere dan niet gemakkelijk kunnen zeggen: je bemint God niet, want je doet mij onrecht aan.
Bedrieg jezelf ook niet met te zeggen: ik bemin mijn naaste, dat is genoeg. Hoe kom je dan op het spoor van het Goddelijk beminnen. Als we God aan de kant schuiven, beseffen we niet dat de liefde van God komt. Hij heeft ons het eerst liefgehad. Hij alleen is in staat zichzelf aan ons te geven.
Bemin, en doe pas dan wat je wilt. Je zult al vlug beseffen, hoe klein we zijn. Hoe rap we onszelf bedriegen. Hoe zeer we op Gods Geest aangewezen zijn. Je wordt wat je bemint.
Met dank aan de H. Augustinus.