* Vorige zondag wilden de Farizeeën Jezus strikken met de vraag over de Joodse belastingplicht tegenover de keizer. Daarop kwamen Sadduceeën Hem bestoken met de vraag over de verrijzenis. Vandaag zijn opnieuw de Farizeeën aan zet. Via een wetgeleerde komen ze aan met de vraag over het voornaamste gebod in de Wet. De wetgeleerden waren meestal Farizeeën.
1. De Wet stond centraal in het leven van de Jood.
-
De Wet bestond uit de eerste vijf bijbelboeken, de “thora”, toegeschreven aan Mozes, met daarin als kernstuk de Sabbat en de 10 woorden, hetzij de 10 geboden, door God aan Mozes op de Sinaï toevertrouwd. Die Wet was de enige steun en sterkte voor het Godsvolk, vooral toen bij herhaling de tempel was verwoest. De Sadduceeën beperkten zich strikt tot deze “thora”. De Farizeeën, die veel talrijker waren en op het volk een sterke invloed uitoefenden, hielden het ook bij “de Profeten”, en hadden deze Wet omheind met zomaar 613 voorschriften, waarvan 365 verbodsbepalingen en 248 opdrachten: een zinloze last die de echte betekenis en bedoeling van de Wet verduisterde. Het werden geestdovende formaliteiten, een jungle, een woud dat de centrale bomen verborg.
-
Op deze overdaad heeft Jezus bij herhaling gezinspeeld: “Zij maken bundels van zware, haast ondragelijke lasten, en leggen die de mensen op de schouders, maar zelf zullen ze er geen vinger naar uitsteken…” (Mt 23,4) En: “Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars! Gij betaalt wel tienden van munt, anijs en komijn, maar de kern van de Wet: rechtvaardigheid, barmhartigheid en trouw verwaarloost ge… Blinde leiders, die de mug uitzift en de kameel doorslikt” ( Mt 23,23-24).
-
Paulus, die zelf een knap rabbijn was, heeft in zijn brief aan christenen van Rome in dezelfde zin tegen dit verziekte Jodendom gereageerd: “Gij gaat groot op de Wet, maar onteert God door diezelfde Wet te overtreden… De besnijdenis heeft zeker waarde, maar alleen als gij de Wet onderhoudt. Indien ge de Wet overtreedt, dan is uw besnijdenis zonder zin… Jood zijn is niet iets uiterlijks… Jood zijn is iets innerlijks, en de werkelijke besnijdenis is er een van het hart, geestelijk en niet wettisch. Zo iemand wordt geprezen, niet door de mensen, maar door God” (Rom 2,23-29).
* De wetgeleerde die bij Jezus komt is bewust van dit labyrint van wetteksten. Hij vraagt naar een rangorde en een samenvatting. Een echte leraar weet een samenvatting, een synthese, te maken. Een synthese schept klaarheid en vereenvoudigt. Waar komt het er feitelijk en ten slotte op aan ?
2. Matteüs stelt hier Jezus voor als de nieuwe en uiteindelijke Mozes.
- Zoals Mozes op het massief van de Horeb, eenzaam en in confrontatie met God de kern van de Wet had ontvangen, zo bevindt Jezus zich op de berg van de Zaligsprekingen. Hij sluit zich aan bij Mozes.en overstijgt hem. Hij zegt in zijn bergrede: “Denk niet dat Ik gekomen ben om Wet en Profeten op te heffen. Ik ben niet gekomen om op te heffen, maar om de vervulling, de voltooiing, te brengen” (Mt 5,17). Dit woord: “Om de vervulling te brengen” heeft hier een dubbele betekenis:
(a) Het gaat erom de Wet terug te brengen tot haar bron, te herleiden tot de oerbedoeling van God met de Wet. En dat is de samenvatting, het hart van de Wet. Daarom verwijst Jezus hier handig naar het Shema-gebed, dat de Jood elke morgen en elke avond moest belijden, aanraken en zelfs op het voorhoofd mocht dragen: “Luister Israël, de Heer is uw God. Hem zult ge beminnen met heel uw hart, heel uw ziel en heel uw verstand” (Dt 6,5). En daaraan koppelt Hij onlosmakelijk: “Gij zult uw naaste beminnen als uzelf” (Lv 19,18). “Alles wat ge wilt dat de mensen voor u doen, doet dat ook voor hen. Dat is Wet en Profeten” (Mt 7,12). Het gaat om de liefde, de liefde tot God, onafscheidelijk van de liefde tot de medemens, de andere, ook de vreemdeling, ook de vijand. Dit hoorden we heel concreet in de eerste lezing (Ex 22,20-25). Die synthese lezen we bij Johannes: “Wie God bemint moet ook zijn broeder liefhebben” (1 Joh 4,21). En dat bevestigt Paulus: “Wie zijn naaste bemint, heeft de Wet vervuld… De liefde vervult de hele wet” (Rom 13,8-10). De grote kerkvader Augustinus op zijn beurt: “Bemin en doe wat ge wilt”. Maar het moet dan ware liefde zijn.
(b) “Vervullen” heeft hier ook de betekenis van voltooien, tot een nieuwe, nog ongekende en uiteindelijke diepte brengen. En dat kan Jezus aan de wetgeleerde nog niet zeggen. Het zou op onbegrip stuiten en nieuwe oprispingen bij de Joden verwekken. Deze vervulling is voorbehouden voor zijn leerlingen en wel op de vooravond van zijn lijden. Dan zegt Hij: “Een nieuw gebod geef Ik u: gij moet elkaar liefhebben zoals Ik u heb liefgehad…” (Joh 13,34; 15,12). Dit woord “zoals” (Gr.: kathôs) wijst niet alleen op een vergelijking: net zoals Ik; maar ook op een uitgangspunt, een bron: vanuit Mij, die u heb liefgehad. Uiteindelijk is God die liefde is, de bron van alle liefde: “Zoals de Vader Mij heeft liefgehad…” (Joh 15,9). “Dat is nieuw voor u en voor allen; het is ook oud maar het bleef eerst duister en ongekend” (1 Joh 2,7). “God is liefde” (1 Joh 4,16). “Hij heeft ons het eerst bemind” (1 Joh 4, 10.19). Om echt te beminnen moeten we gaan naar deze grondstroming, de bron.
* In de H. Eucharistie biedt Christus zich aan als levensbron. Daar omvormt Hij ons. Indien we er zijn liefde verwelkomen, vervult Hij ons daar met zijn leven en zijn liefde. Van daaruit stuwt Hij ons naar de anderen. De H. Eucharistie, die wij straks gaan vieren, is het sacrament van de Liefde.