Als je met andersgelovigen spreekt en je zegt dat je christen bent, dan zullen ze vaak respect hebben voor je geloof. Maar zelfs bij diegenen die respect hebben voor je geloof, duikt vlug de vraag op of je je aan alle regels houdt die de Kerk voorschrijft. Die vraag wordt gesteld omdat de meeste geen problemen hebben met het geloof op zich, maar wel met bepaalde regels die binnen onze Kerk en ook andere kerken en godsdiensten gelden en die door de “buitenwereld” als onrechtvaardig, discriminerend en soms zelfs mensonwaardig ervaren worden. Hetzelfde zou ongetwijfeld kunnen gezegd worden over de 613 geboden en verboden die de joden verondersteld worden te onderhouden. Omdat 613 toch tamelijk veel is, was er door de religieuze leiders van die tijd al een onderverdeling gemaakt in belangrijke en minder belangrijke geboden. Nu komen ze aan Jezus vragen welk gebod het allerbelangrijkste is. Het antwoord van Jezus kennen we: Hij antwoordt dat het dubbel gebod van de liefde tegenover God en mens de ganse Wet samenvat. Als wij in het voetspoor van Jezus hetzelfde antwoord geven aan andersgelovigen die ons vragen of we ons aan alle regels houden, dan kan dat veel uitleggen. Maar toch is het niet makkelijk om in bepaalde concrete situaties uit te maken wat liefde voor God of voor de medemens kan betekenen. Sommige kerkelijk regels kunnen door veel gelovigen niet meer geïnterpreteerd worden als iets dat met liefde voor God of de mens te maken heeft. Het dubbel liefdesgebod is dus niet altijd even eenvoudig als het lijkt. Dat blijkt bijvoorbeeld al uit het feit dat het een gebod is, blijkbaar is het iets wat een mens niet altijd van nature doet. Laten we het eens van dichterbij bekijken.
Vooreerst kunnen we Jezus alle punten geven als pedagoog. Hij slaagt er in op een heel beknopte wijze én op een positieve manier de Wet samen te vatten. Al te vaak krijgen godsdiensten en hun gelovigen het etiket opgeplakt dat ze dit en dat niet mogen. Jezus zegt niet wat we niet mogen doen, spreekt geen verbod uit, maar wel een dubbel gebod. De oorsprong van dit en andere geboden vinden we in het Exodusgebeuren. De Israëlieten zijn net bevrijd uit de slavernij van Egypte en krijgen van Mozes geboden die er moeten voor zorgen dat ze vrije mensen kunnen blijven. Het eerste gebod om God te beminnen met heel uw hart en ziel krijgt dan ook als uitleg dat er geen andere goden aanbeden mogen worden. We weten allemaal dat er in die tijd heel veel goden waren, de meeste volkeren hadden veel goden, vaak territoriaal beperkt. De God van Abraham, Isaak en Jakob kent geen territoriale grenzen. Een ander verschil is dat ze geloven dat er maar één God is. Maar het belangrijkste verschil met andere goden is dat deze God de mens vrij laat, Hij wil niet dat mensen als Zijn slaven door het leven moeten gaan, een mens is meer dan een marionet in een poppenspel waar God de draadjes vasthoudt. Van de mens zegt de bijbel dat hij geschapen is naar Gods beeld. Dit lijkt allemaal een beetje oubollig en iets wat alleen maar steek houdt voor die momenten in de geschiedenis dat er veel goden waren maar niets is minder waar. De afgoden van vandaag noemen we geen goden meer, maar ze kunnen zo veeleisend zijn dat de mens zijn vrijheid verliest, in extreme gevallen zelfs zijn vrije wil. Sommige mensen leven voor hun werk, hun hobby, hun verslaving, … Hoe zit het in ons leven? Is God voor ons de ene God waar we alles voor over hebben of moet Hij een nummertje trekken en braaf zijn beurt afwachten? Kunnen we van onszelf zeggen dat we alleen maar buigen voor die ene God of zijn er nog andere valse goden?
Het tweede gebod gaat er van uit dat elke mens zichzelf graag ziet: bemin de naaste als uzelf. We weten dat dit voor sommige mensen niet het geval is. We weten ook dat deze mensen het verdomd moeilijk zullen hebben om lief te hebben en/of geliefd te worden. Eerst moet dus elke mens voelen dat hij bemind is. Gelovigen zeggen dat ook God de mens bemint. Ik denk dat dit juist is maar ik geloof ook dat dit een oproep is aan alle gelovigen om die liefde van God die verborgen is, concreet gestalte te geven. Pas als je jezelf aanvaard hebt als een uniek en waardevol wezen dat de moeite waard is, kan de naastenliefde beginnen. Als het gebod vraagt je naaste even lief te hebben als jezelf, dan betekent dit niet dat we in excessen moeten vervallen. Eigenliefde mag niet zo ver gaan dat je jezelf beter waant dan de ander: God heeft ons geschapen als broeders en zusters van elkaar. Het betekent dus ook dat de andere, je naaste niet meer is dan jij. We kunnen teruggrijpen naar het eerste gebod: we moeten van onszelf of van onze naaste geen god maken die ons als een soort slaaf aan het lijntje kunnen houden. En daar begint dus de moeilijke vraag wat liefhebben concreet kan betekenen, zowel bij God als bij je naaste. Er zijn geen pasklare antwoorden voor, je geweten dat gevormd en gevoed is door intens en diep gebed kan je waarschijnlijk soelaas brengen. We weten gelukkig dat God ons kent en ons niet doodbliksemt als het eens fout loopt, ook hier is de intentie belangrijk zonder dat we ons willen verschuilen achter de intentie die nooit in daden omgezet wordt. Ik wens je veel liefde toe!