De Farizeeër en de Tollenaar

A-cyclus · Tijd door het jaar · 30e zondag · groen

Beste vrienden,

Kennen jullie ook dat goede warme gevoel als je van jezelf weet dat je beter bent dan de anderen? Het gebeurt zelfs dat we de anderen slechter voorstellen dan ze zijn, om ons zelf beter te kunnen voelen. Soms zetten we een hoge borst op en voelen ons sterk, er valt ons blijkbaar niets te verwijten, we staan aan de goede kant, terwijl de anderen natuurlijk ongelijk hebben. We zijn er gewoon zelf van overtuigd dat we beter zijn:

  • We gooien ons afval niet zo maar weg, maar sorteren milieuvriendelijk.

  • We kopen indien mogelijk alleen nog Bio artikelen en Fair Trade producten.

  • We verkwisten niets en zorgen ervoor dat we ons ook op dat gebied onder controle hebben.

  • In de kerk voelen we ons vroom, voor zover dat niet als achtergebleven, reactionair of wereldvreemd wordt beschouwd. Want dat zouden we helemaal niet OK vinden. Dan toch liever het gevoel van moreel beter te zijn, er bij God beter voor te staan dan de anderen. Voor dat goede gevoel willen we dan ook wel de nodige inspanningen doen.

De farizeeër uit het evangelie van vandaag wentelt zich als het ware in juist dat gevoel. Hij is volledig van zichzelf overtuigd en hij doet, oppervlakkig beschouwd, in de ogen van God ook alles perfect. Ik moet eerlijk zeggen dat ik datgene wat hij zegt, ook helemaal geloof. Dat hij twee keer in de week vast, dat hij een tiende van zijn inkomen afstaat, dat hij een goede echtgenoot is, de anderen niet bedriegt en zich niet onrechtmatig verrijkt. Hij praalt ook niet in het openbaar met zijn houding. Zijn woorden zijn uitsluitend voor God bedoeld en voor niemand anders.

Nu vraag ik jullie: “ is dat slecht?” Als iets echt gelukt is in je leven, dan mag je jezelf toch ook wel eens een schouderklopje geven, of niet soms? Ik geef grif toe dat ik dat soms wel eens nodig heb – u niet? En die farizeeër uit het evangelie blijkbaar ook. Ik moet ook wel zeggen dat ik nergens kan vaststellen dat Jezus daar iets zou tegen hebben. Laat u dus nooit wijsmaken dat je, om christen te zijn, altijd met hangend hoofd en tranen in de ogen, vol complexen en minderwaardigheidsgevoel moet rondlopen om alsmaar de indruk te wekken: “och, wat ben ik toch slecht”. Neen, als iets O.K. is, dan mag ik dat ook zeggen, en als er mij iets echt goed lukt, dan mag ik daar ook trots op zijn.

Dat de tollenaar anderzijds berouwvol achteraan in de tempel staat, dat heeft ook een reden. Hij beseft dat in zijn leven nogal wat is misgelopen en dat hij eigenlijk niet meer met een goed geweten in de spiegel kan kijken. Hij weet dat en wil daar ook voor uitkomen – zeker voor God. Hij weet en voelt heel goed aan : alleen op deze manier krijg ik mijn zaken terug in orde, alleen op deze manier kan ik datgene wat ik verkeerd heb gedaan terug uit de wereld helpen. Ik vind het fantastisch dat die tollenaar zo eerlijk is voor zichzelf, dat hij niets probeert te verdoezelen en voor zijn fouten uitkomt. Maar daarom is hij nog lang niet beter dan de farizeeër. Wanneer die schuld op zich zou geladen hebben zou hij beslist ook op dezelfde manier boete doen. Wat men de farizeeërs ook allemaal kan verwijten, zeker niet dat ze het niet ernstig meenden.
Daarom blijf ik bij de mening dat Jezus de farizeeërs in het algemeen wel sympathiek vond. Op vele punten stonden zij dicht bij Hem, ook wanneer je dat uit de evangelies niet zo direct kan afleiden. Maar ik vraag me wel af waarom Jezus zo dikwijls met hen omgaat? Waarom neemt Hij zo veel tijd om hen te verduidelijken waar ze verkeerd denken? Toch wel omdat ze Hem niet onverschillig laten – ja omdat Hij ze wel mag. Tenslotte is het toch altijd weer hetzelfde wat Hij hen verwijt en wat Hij hen zonder ophouden voorhoudt. Iets wat ook in het evangelie van vandaag de doorslag geeft. Het is de zin: “Ik dank U, God, dat ik niet ben zoals de andere mensen, niet zo, zoals die tollenaar.” Deze ene zin is het, die tenslotte alles uitveegt wat de farizeeër al die tijd heeft opgebouwd. Je moet het je maar eens visueel voorstellen: beide mannen zouden in het dagelijkse leven nooit zo dicht bij elkaar zijn gekomen. En nu staan ze daar allebei in de tempel. Ik denk dat dat alleen maar mogelijk was omdat er in de tollenaar iets was doorgebroken, iets wat hem ertoe heeft gebracht om naar de tempel te gaan en daar het gesprek met God te zoeken.

Dat zou de farizeeër tot nadenken hebben moeten stemmen. Hij had zich moeten afvragen: “waarom is hij hier?” Maar hij is als met blindheid geslagen en beseft niet dat ook de tollenaar een kind is van God, door Hem geroepen en bemind. De farizeeër kan en wil niet aanvaarden dat het God is, die de tollenaar naar de tempel heeft geroepen. Hij kan en wil niet begrijpen dat God ook het hart van een tollenaar kan beroeren, omdat niets op de duur aan de macht van zijn liefde kan weerstaan.
De farizeeër heeft bij al zijn lovenswaardige religieuze werkzaamheden het belangrijkste vergeten: de andere mensen met de ogen van God te bekijken. En die ogen van God, dat zijn de ogen van de liefde. Het gaat dus minder om wat we in onze geloofspraktijk doen, maar het gaat veel meer over hoe we het doen. Wanneer Jezus daarom zegt dat men zichzelf niet mag verhogen, dan heeft Hij het niet over één of andere positie of verworven inkomen, maar veeleer om onze houding tegenover onze medemensen. Zichzelf niet verhogen wil dan zeggen, de solidariteit met onze medemensen niet laten vallen, in hen dus niet de lastige concurrent of de onnodige ballast te zien; ondanks je eigen succes je toch niet beter achten dan de anderen – gelijk of dat nu in het alledaagse leven of in onze verhouding tot God gebeurt. Dat de farizeeërs nu juist dat niet konden opbrengen en dat ze dat zelfs in hun benaming benadrukten: farizeeër betekent “de afgezonderde” – dus afgezonderd van al diegenen die niet zo volgens het boekje leken te leven zoals zij zelf. Dat was het wat Jezus stoorde en wat de oorzaak was van zijn massieve kritiek.
En hoe zit dat bij ons? Ik denk dat het moeilijkste deel van Jezus’ boodschap ook voor ons is, dat God alle mensen graag ziet; de zondaars even zeer als de rechtvaardigen, misschien de zondaar zelfs nog net iets meer, omdat die de meeste liefde nodig heeft. Een dergelijke boodschap stoot tegen de borst omdat ze indruist tegen ons menselijk rechtvaardigheidsgevoel. Voor ons geldt: wie meer zondigt, moet ook meer gestraft worden en wie meer goed doet moet ook meer beloond worden. Dat ze allebei, zowel de rechtvaardige als de zondaar, helemaal geen recht hebben op iets, dat krijgen wij niet in ons hoofd – net zoals we niet kunnen begrijpen dat God ons allen, rechtvaardigen en zondaars, onverdiend alles geeft wat we nodig hebben.

  • De werkers van het eerste uur waren erg opgewonden toen ze hetzelfde loon kregen als hun collega’s die maar enkele uren hadden gewerkt. De overeengekomen levensmogelijkheid voor één dag.

  • Hoe heeft de oudste broer zich niet geërgerd toen de vader de terugkeer van zijn jongste broer met een reuzen feest vierde. Ook hij vergat dat hij, helemaal onverdiend, van zijn vader elke dag opnieuw het nodige zomaar cadeau kreeg.

  • En hoe zullen wij ons misschien nog ergeren wanneer we ooit moeten vaststellen dat het ene of het andere slechte karakter, dat wij nooit in de Hemel zouden hebben vermoed, toch ook van Gods ganse, ongedeelde, liefde kan genieten terwijl wij er ons ook niet van bewust zijn dat wij die liefde van God ook gans onverdiend genieten.

Stel u voor, misschien weigert de één of de andere wel om samen met die zondares, of met die zondaar, de hemel te delen en bemerkt hij of zij daarbij niet dat ze zichzelf daardoor van die Hemel verwijderen en dan op die plaats terechtkomen die wij doorgaans de hel noemen.

Want dat zou de uiteindelijke consequentie zijn van de houding die de farizeeër aanneemt.

Amen

Zoeken in Preken Online