Waar alles om draait A (2011)

A-cyclus · Tijd door het jaar · 30e zondag · groen

In het pastoraat komen vele vragen op ons af:

vragen van mensen die het soms niet meer zien zitten

en het leven niet aankunnen:

ze zoeken naar steun in het geloof.

Maar er zijn ook andere vragen:

vragen van jonge mensen die met hun geloof iets willen.

Soms herkennen ze zich niet

in de vorm waarin het geloof hun wordt doorgegeven

en vragen ze ‘waarom gaat dat zo?.

En wij die de antwoorden moeten geven denken soms:

‘ja waarom eigenlijk.’

Het begin van de wijsheid is het vragen

het aandachtig luisteren naar de antwoorden en

dan je eigen oordeel, in alle voorlopigheid verder dragen.

Vandaag in het evangelie een kort verslag

van een vraag en antwoordspel,

tussen Jesus de de vromen van zijn dagen over de kern van het geloof.

‘Kunt u mij zeggen wat nu de kern is van heel het geloof’

komt een Farizeeër aan Jesus vragen.

Jesus had zojuist de Sadduceeën,

die niet zo hevig in de verrijzenis geloofden als zij

de mond gesnoerd en nu wilden zij Jesus ook wel eens testen.

Er staat dat zij het vragen ‘om hem te beproeven’

met een nare bijbedoeling dus

maar eigenlijk is dat helemaal niet zo belangrijk.

Want zolang er vragen gesteld worden is er hoop.

Het was in de rabbijnse kringen van Jesus’ tijd

een veel gepractiseerd spelletje

om mensen te dwingen de kern van het geloof samen te vatten.

De farizeeë formuleren het zo: ‘Wat is het grootste gebod van de Wet.’

Dat lijkt een onoplosbare vraag

want er zijn in de wet 613 ge- en verboden,

de som van de dagen van het jaar (365)

en alle onderdelen van het menselijk lichaam (248).

En moeilijke vraag… hoewel:

het is natuurlijk duidelijk dat al die ge- en verboden

een innerlijke samenhang hebben. Toe Jesus, formuleer die eens?

Bekend is het antwoord van rabbijn Hillel

een collega-leraar, die precies een generatie vóór Jesus leefde.

Een heiden kwam naar hem toe en vroeg:

‘kunt u mij de kern van uw geloof uitleggen

terwijl ik op een been sta.’

Weer een andere collega van hem, rabbi Shammaj

had dat een belachelijke vraag gevonden

en hem woedend heengezonden.

Hij, Hillel, gaat serieus op de vraag in en zegt:

‘Wat vervelend is voor jou, doe dat je naaste niet aan,

dat is de kern van de Tora, de rest is commentaar.’

Maar hij voegde er wel iets aan toe:

‘ga, en word wijzer! '

Word wijzer…Hoe? Door na te denken

over wat belangrijk is en wat niet,

en zo alleen dingen te doen die echt waardevol zijn

voor de wereld en voor je zelf.

Jesus geeft een nog simpeler antwoord:

Hij verzint zelf niets maar citeert alleen maar twee zinnen uit de Tora:

‘bemin de Heer de Heer uw God met heel uw hart,

met heel uw ziel en heel uw vermogen’

en het tweede daaraan gelijk:

‘je zult je naaste liefhebben als jezelf.’

God liefhebben betekent:

Hem echt ruimte geven,

weten wat Hij van je verlangt

en daarnaar handelen.

Wat Hij verlangt?

Dat je de vreemdeling eerbiedigt -u hebt het in de eerste

lezing horen voorlezen- dat je de weerloze niet minacht.

Dat je de arme niet uitbuit.

Er staat zelfs een verbod om rente te vragen

in de wet van Mozes.

Als we dat werkelijk zouden praktiseren zou het gedaan zijn

met al onze westerse macht, onze economie zou instorten

… wij houden ons daarom maar niet aan dat gebod.

Maar of dat economische systeem van ons het houdt

is nog maar de vraag.

God liefhebben heeft altijd te maken met hetzelfde:

eerbied voor het weerloze

respect voor die geen macht hebben

ruimte voor de vreemdeling en de rechteloze.

Het motief is steeds: zelf was je vreemdeling in Egypte;

zelf had je geen geld en geen macht.

Na de liefde voor deze God

volgt dan het gebod om je naaste lief te hebben als jezelf.

Wat zoveel betekent als:

weet wie je zelf bent, hoe weerloos en klein

hoe hulpeloos als een ander jou niet helpt

(misschien vroeg iemand daarom in het intentieboed

achter in de kerk om ‘gebed voor mijzelf.)

Als je durf erkennen hoe kwetsbaar jijzelf bent

zul je de ander nooit meer vanuit een machtspositie tegemoet treden

maar als medeweerloze.

Jij bent zwak, hij ook,

jij hebt liefde nodig hij ook.

En zo komen wij bij het levensbeginsel van een nieuwe maatschappij:

(zacht orgelspel begint op de achtergrond,

de predikant leest verder.

‘Al spreek ik met tongen van engelen en mensen, maar liefde heb ik niet:

ik ben schallend koper, een rinkelende tamboerijn.

Al ben ik een profeet, ziende het onzienlijke, in alles ingewijd, .

en is mijn geloof zo volkomen dat ik de bergen verzet, maar ik heb geen liefde,

ik ben niets.

En geef ik alles weg, en laat mij martelen als het moet,

heb ik geen liefde, dan dient het tot niets.

Liefde is ruimte geven, tijd laten, goedheid, geduld.

Liefde is niet kleinzielig, jaloers, hebzuchtig.

Liefde laat zich niet gelden, ijdel, grof, ongenaakbaar.

Wie liefheeft is niet belust op zichzelf.

Liefde wordt niet verbitterd, liefde vindt niets onvergeeflijk.

Onrecht maakt haar niet gelukkig, waarheid maakt haar blij.

Liefde houdt stand tegen alles: telkens weer gelooft zij

alles verdraagt zij, altijd opnieuw vol hoop . Nooit bezwijkt de liefde.

Profetenwoorden wel, talen verstommen, alle kennis is eindig.

Ach, al wat wij weten is stukwerk en onze visioenen: flarden licht.

Maar als het oneindige aanbreekt houdt al het eindige op.

Toen ik nog een klein kind was, praatte ik zoals kinderen doen,

en ik dacht niet verder dan kinderen doen .

Nu ik een man geworden ben, heb ik dat achter mij gelaten.

Nu nog zien wij spiegelbeelden, raadselachtig,

eenmaal staan wij oog in oog .

Nu nog weet ik niet de helft,

ooit, eenmaal, zal ik alles weten, zoals Hij alles weet van mij.

Geloof en hoop en liefde zullen blijven, alle drie, maar de grootste is de liefde.’

(orgel zwijgt)

Dat wij samen een parochie mogen vormen

waarin die liefde ons allen leidt.

Zoeken in Preken Online