3e zondag door het jaar A - 2002

A-cyclus · Tijd door het jaar · 3e zondag · groen

Zusters en broeders,

Vorige week hoorden we hoe Jezus door Johannes de Doper in het openbaar bestempeld werd als de Zoon van God. Dat was in Judea, in het centrum van het jodendom, met zijn hoofdstad Jeruzalem en zijn tempel. Vandaag horen we hoe Jezus zijn openbaar leven begint, en daarbij springen een paar zaken in het oog.

Vooreerst: Jezus blijft niet in Judea, maar trekt naar het grensgebied in het noorden, naar het " Galilea van de heidenen", zoals zowel Jesaja in de eerste lezing als Matteus in het evangelie het noemen. De inwoners daar worden door de Judeeërs helemaal niet als goede en rechtgeaarde joden beschouwd. En toch verkiest Jezus precies bij hen het Rijk Gods te verkondigen. Die keuze kenmerkt zijn hele verdere leven: Hij zal het altijd opnemen voor hen die door de gevestigde machten niet voor vol worden aangezien, voor hen die aan de rand leven of naar de rand verbannen worden, voor hen die het moeilijk hebben met zichzelf en met hun omgeving. “Ik ben niet gekomen voor de gezonden”, zegt Hij, “wel voor de zieken.”

Al even opvallend is een tussenzinnetje in het begin van het evangelie. Jezus trekt dus naar Galilea, en - voegt de evangelist er heel uitdrukkelijk aan toe - “met voorbijgaan van Nazaret vestigde Hij zich in Kafarnaüm.” Het is een klein, maar bijzonder betekenisvol zinnetje. Want Nazaret, dat is toch de plaats waar Jozef en Maria wonen. Waarom vestigt Hij zich niet daar, in het huis of toch ten minste in de nabijheid van zijn ouders? In onze oren klinkt dat niet ongewoon, maar wie ook maar iets afweet van de betekenis van de familie en de clan in het Oosten, weet meteen dat Jezus hier ronduit revolutionair handelt. Hij neemt immers afstand van zijn familie, en dat kàn niet in het Oosten, nu niet, en zeker niet in de tijd van Jezus.

Is Jezus dan een slechte zoon? Zeker niet. Maar waarom neemt Hij dan afstand van zijn familie? Omdat de verkondiging van het Rijk Gods geen familieonderneming kàn zijn, toch niet in de biologische betekenis van het woord. Want wat blijkt verderop in de lezing? Dat Jezus tegen vier jonge vissers zegt: “Kom en volg Mij.” Terstond laten ze alles in de steek en ze volgen Hem. Zij doen dus precies wat Jezus zelf heeft gedaan: ze laten hun familie, hun maatschappelijke bezigheid en hun vastheid van bestaan achter zich, en ze doen dat omdat Jezus hen roept. Zij worden de nieuwe familie van Jezus. Ze vormen geen familie die op bloed en afstamming, maar wel op God is gebaseerd. Met hen begint Jezus iets heel nieuws, een nieuwe wereld en een nieuwe maatschappij. Hij noemt die: het Rijk Gods. Dat Rijk Gods, zusters en broeders, kàn niet groeien uit wat van mensen komt, uit clan of familie, uit menselijke begaafdheid of goede wil, uit maatschappelijk aanzien of een vaste job. Neen, dat Rijk Gods kan alleen groeien uit Jezus. “Kom en volg Mij”, zegt Hij.

“Kom en volg Mij.” Hij zelf is dus de norm voor zijn nieuwe familie, Hij zelf is het doel van hun denken en doen. Hij zelf, want Hij is de Zoon van God. In Hem maakt God de belofte waar die Hij eeuwen voordien aan zijn volk had gedaan.

Zusters en broeders, ook tot ons zegt Jezus: “Kom en volg Mij.” Ook wij zijn familie van Christus. Maar zijn we dan slechte familie, omdat we niet doen zoals de apostelen: alles achter ons laten en alleen nog voor Hem leven? Zijn we soms familie waarover Jezus zich moet schamen? Zeker niet, zusters en broeders. Immers, toen Hij nog onder ons leefde riep Hij iedereen op om Hem te volgen, en duizenden hebben dat ook gedaan, maar Hij heeft er slechts twaalf op die heel specifieke manier geroepen. Alleen van die twaalf vroeg Hij een volledige overgave. Uit het evangelie blijkt zelfs geregeld dat Hij er ook niet meer dan twaalf wil. Immers, het Rijk Gods wordt niet door mensenhanden tot stand gebracht, wel door God. En meer dan die twaalf paar handen had God niet nodig om tweeduizend jaar later twee miljard mensen in zijn Licht te laten leven. Twaalf paar handen, die in de loop der eeuwen, tot op vandaag, altijd opnieuw uit God zijn gegroeid, want altijd opnieuw is God sommige mensen op die speciale manier blijven roepen, altijd opnieuw heeft Hij van sommige enkelingen meer inzet gevraagd dan van de velen. En die enkelingen werden priester of pater of kloosterzuster of missionaris, of ze bleven leek, maar allen hadden ze dit gelijk: ze lieten alles achter zich om alleen voor God en zijn Rijk te leven. Ze droegen dit Rijk uit naar het einde der aarde, en ze namen de zorg voor zijn groeiende familie op zich. Soms riep Hij er veel, soms ook weinig - zoals nu en ook zoals in Jezus’ tijd. Want zijn Rijk wordt niet door mensen, wel door Hemzelf gevestigd.

God verlangt niet van iedereen diezelfde overgave aan zijn Rijk, maar toch roept Hij iedereen, ook ons. “Laat uw verleden achter”, zegt Hij, “geloof dat er méér is in u dan ge zelf vermoedt. Wees ook gij, wie ge ook zijt en waar ge u ook bevindt, wees ook gij bereid om een reddende hand te zijn voor wie in nood is. Wees ook gij vissers van mensen die in ellende verkeren, en die zonder u dreigen te verdrinken.

Zusters en broeders, laten we blij en dankbaar zijn dat wij zijn familie mogen zijn, en dat Hij ons wil roepen om zijn Rijk naderbij te brengen. Amen.

Zoeken in Preken Online