Welke kansen heeft het christendom in de toekomst? Ik kan daarop het best antwoorden met een tegenvraag. Waaraan had het beginnend christendom zijn enorme expansiekracht te danken?
Het volk dat in duisternis leefde heeft een groot licht aanschouwd. Dat is de jubelende uitroep van de evangelist toen Jezus zijn openbaar leven begon in Galilea, het land van de half-heidenen, onder boeren en vissers. Zijn die woorden niet sprankelend van hoop? De grote wereld werd gekenmerkt door onbeperkte machtsdrift, geldzucht en genotroes; het was een wereld van meedogenloze tegenstellingen. Een geestelijk uitgeholde wereld, waarin mensen eigenlijk in niets meer geloofden. En in die wereld, zegt de evangelist, kwam Jezus als een licht van hoop. Jezus was heel anders dan de leiders van het volk in die tijd. De farizeeën gingen niet buiten hun huis. De mensen moesten maar naar hen toekomen. Zij stelden geboden en verboden op, veroordeelden en excommuniceerden. Het volk had achting voor hen, maar geliefd waren ze niet. Maar Jezus ging naar de mensen toe. Hij had een boodschap van hoop voor hen: er komt een andere samenleving, volgens Gods droom. Jezus deelde het bestaan van de armsten, in een wereld van bandeloos genieten. In een wereld waar macht en verdrukking hoogtij vierden, beschouwde Hij zich als een slaaf van allen. Hij kwam niet om gediend te worden maar om te dienen. In een wereld waar iedereen vocht om de hoogste rang, ging Jezus om met kinderen en allen noemde hij zijn naasten, ook de zondaars en de beulen.
Hoezeer Jezus een teken van hoop heeft moeten zijn, blijkt ook uit de roeping van de eerste apostelen. Dat waren geen bedelaars, geen domkoppen. Het waren verstandige mensen, ze behoorden bij de gegoede stand, zij hadden boten en netten. Het waren mensen die geld konden verdienen. En dan komt Jezus en zegt tegen hen: ‘Bekeert u, verandert van mentaliteit. Wend je in je beroep naar de mensen, het gaat om mensen.’ Hij heeft dat nu tot vissers gezegd, maar Hij had evengoed kunnen zeggen: Ik zal u tot bedienden van de mensen maken. Of je nu huisvrouw, of dokter, poetsvrouw of apotheker, verkoopster of vakman bent, elk beroep kan met mensen te doen hebben. Wie zijn eigen beroep gaat zien met de ogen van Jezus, ziet ineens ongekende mogelijkheden, voor hem gaat een licht van hoop op.
Nog altijd gaat er in deze wereld een ongekend licht van Jezus uit. Bij het horen van die boodschap van Jezus van Nazaret gebeuren er nog elke dag wonderen. Doodgewone mensen, wier leven ineens onderste boven wordt gekeerd, omdat ze ineens Jezus ervaren hebben als het licht van hun leven. Plotseling zien ze in: deze man heeft de sleutel van mijn leven, als ik een zin aan mijn leven wil geven, dan volstaat het dat ik met en in Jezus de weg van zijn leven en boodschap ga. Zulke roepingen zien we elke dag. Een minister in Amerika wil priester worden, en als je vraagt waarom, dan antwoordt hij: ik denk dat de wereld meer nood heeft aan een priester, dan aan een mens die het ene geldbriefje op het andere stapelt. Een jong meisje met doktersdiploma, dat gratis gaat werken in de onderontwikkelde gebieden; een dokter die zich inzet voor de vreemdelingen in de hoofdstad. Voor hen allen is er in de duisternis van deze wereld een groot licht opgegaan, Jezus, de Heer.
De crisis van de laatste jaren heeft ons hardhandig losgerukt uit onze valse zekerheden. Onvoorbereid zijn wij in deze crisissituatie terecht gekomen. Wij zitten weer in de duisternis, waarin de mensen dikwijls niet meer weten waarom ze leven, waarin hun idealen niet meer verder reiken dan vandaag.
De persoon van Jezus kan ook een groot licht worden voor ons. Als Hij de sluitsteen van ons leven wordt, als wij gaan leven van zijn ideaal, dan komt het rijk van God in alles wat wij doen, in het trouw vervullen van onze plichten. Als onze liefde een onvervalste vertaling is van Jezus’ liefde voor de mensen, dan is het rijk van God nabij. Als onze welvaartsmaatschappij ons suggereert dat het geluk afhangt van de afmetingen van onze auto, het uitzicht van ons huis en de duurte van de kleren, dan zegt Jezus: bekeer u, keer u af van alle hebzucht, je kunt met al je tobben geen ei aan je leven toevoegen. Als de smeulende vonk van de vergeldingsdrang ons dreigt aan te wakkeren tot haat, zegt Jezus: heb uw vijanden lief; en als de armen voor onze deur staan, zegt Jezus: wat je aan de minsten der mijnen gedaan hebt, heb je Mij gedaan. De apostelen waren door Jezus andere mensen geworden. Wij kunnen ook mensen van hoop worden, als wij ons tot Hem bekeren en ons geluk willen vinden in het werken en lijden voor de mensen…