29e zondag door het jaar - Wereldmissiedag (2008)

A-cyclus · Tijd door het jaar · 29e zondag · groen

Inleiding

‘Ego clamavi.’ ‘Ik roep U aan.’ Vroeger werd ons geleerd dat je een brief niet met ‘ik’ mocht beginnen. Dat was niet beleefd. Mag dat dan wel in de liturgie? ‘Ego clamavi.’ Ja, in de christenliturgie mag dat wel! Want dit is geen massagebeuren, zoals in het stadion bij een voetbalwedstrijd, daar vormen allen één groot ‘ik’, of zoals bij heidense vieringen, waar soms mensen met honderden tegelijk vertrapt worden; nee, hier sta je voor God als persoon, als mens, ieder met zijn eigen identiteit, met je eigen geheim, niet herleidbaar tot een ander, niet terug te brengen tot het belang van een familie, van een gezin of gemeenschap. Onze God is een God van
‘ikken’, Hij is míjn God. Terwijl God de God is van één volk, van de Kerk, is Hij begonnen met de God te zijn van één man: Abraham. En die God is er zelfs naar gaan heten: “de God van Abraham, Isaak en Jakob.”
Wil ik contact met Hem hebben, - de viering wordt met z’n allen gevierd, - dan moet ik eerst helemaal zijn wie ik zelf ben, ik alleen, zonder familie, zonder vrienden. Want deze viering eindigt met de heilige communie, de persoonlijke vereniging van onze God met ieder van ons. Dat staat de verbondenheid van ons allen met elkaar niet in de weg, in tegendeel: het is er de voorwaarde van. Denk maar aan de Wereldjongerendagen. Met honderdduizenden zijn ze in 2005 naar Keulen gekomen om onze Heer te aanbidden, en nog nooit hadden mensen in zo’n korte tijd, met zoveel verschillende mensen, die zo weinig met elkaar gemeen hadden, zo’n intens, innig contact met elkaar. God is het die persoon en gemeenschap verzoent; Hij verzoent mij en de ander met elkaar. God is de Allerhoogste, Hij is de voornaamste, horen wij in de eerste lezing. “Ik ben de Heer, en niemand anders! Buiten Mij is er geen God.”
Vandaag, op Wereldmissiedag, vieren we dat er maar één godsdienst is die recht doet aan de mens, aan zijn persoonlijke waardigheid. Hoe dikwijls hebben wij dat paus Johannes Paulus II niet horen zeggen: ‘De mens is de weg naar God.’ Dat persoonlijke van ieder van ons dat God zo dierbaar is, dat wij ‘Ik roep U aan’ mogen zeggen, dat is gebeurd bij ons doopsel. Toen werden wij als kind van God aangenomen in zijn gezin, in zijn Kerk, liefdevol omhelst; in de wateren van lijden en dood van zijn dierbare Zoon begraven en door zijn liefde weer opgewekt.
Dat is wat wij in de zondagse eucharistie graag aan het begin nog eens willen vieren door de wijding van het water en de besprenkeling ermee.

Homilie

“Geef dan aan de keizer wat aan de keizer toekomt, en aan God wat aan God toekomt.” Twee partijen: de partij van God en de partij van de mens, en die twee partijen staan hier ook tegenover Jezus. Aan de ene kant de partij van God, de volgelingen van de strenge Farizeeën, die uit godsdienstige motieven aan de keizer geen belasting willen betalen. Ze zeggen geen koning te hebben dan alleen God. En aan de andere kant de partij van de mens, de Romeins gezinde aanhangers van Herodes, Herodianen genoemd, die zeggen dat men zich aan de omstandigheden moet aanpassen. Twee partijen en Jezus in het midden. Zo was het toen en zo is het nu nog steeds. Aan de ene kant de partij van God, de onbarmhartigen, de fijnen, die uit liefde tot God liefdeloos tegen de medemensen menen te mogen zijn, en aan de andere kant de partij van de mens, de vrije liberalen, zouden wij zeggen, gemakzuchtige, handige mensen, die uit liefde tot de mensen en uit medemenselijkheid menen liefdeloos te mogen zijn tegenover God. Op de vraag: “Is het geoorloofd belasting te betalen aan de keizer of niet?”, zegt Jezus: “Laat Mij de belastingmunt eens zien.”

Zij die van belasting aan de keizer niet willen horen, hebben zelf een belastingmunt op zak en daarmee moeten ze nu voor de dag komen. Ze vragen zich af: gaat Jezus nu uitmaken of wij belasting moeten betalen of niet? De spanning stijgt ten top. Zou Hij Zich laten verleiden tot een politieke uitspraak? Nee, dat doet Hij niet. Wat Jezus doet, is door het politieke onderscheid heen naar het religieuze verschil doorstoten, dat religieuze verschil dat er is tussen Hem en zijn beide tegenstanders. Want deze beide tegenstanders zijn politieke tegenstanders van elkaar, voor en tegen de Romeinen, maar deze tegenstelling wordt ingegeven door een gemeenschappelijke levensbeschouwing en die levensbeschouwing is of vóór God en tegen de mens, of vóór de mens en tegen God. Dus de vraag of het geoorloofd is belasting te betalen aan de keizer of niet, betekent voor hen: moeten wij ons menselijk leven op aarde inrichten ten koste van God, of moeten wij Gods bevel door dik en dun volgen ten koste van de mensen? Eigenlijk is het een godsdienstige vraag in een politiek jasje gehuld. Het is meer een kwestie van levensbeschouwing dan van politiek. Dat is dan ook de reden dat Jezus geen politiek antwoord geeft, maar een godsdienstig antwoord. Geen belasting of wel belasting, God of de mens? Zijn antwoord is: “Geef aan de keizer wat de keizer toekomt, en aan God wat aan God toekomt.”

Op de keuze: God of de mens, zegt Jezus: geef aan ieder het zijne. Dat lijkt geen antwoord, maar een uitvlucht. Wisten de Joden nu of zij belasting moesten betalen of niet? Nee, dat weten ze niet met dit antwoord, want dat is een politieke kwestie en op die politieke vraag krijgen ze geen politiek antwoord. Maar als je er voor zorgt dat je een goede mensbeschouwing hebt, dan vind je vanzelf wel het goede politieke antwoord.

Waar ze echter wel een antwoord op krijgen, is op de vraag, - een vraag die ze zich niet bewust zijn, maar die door het antwoord van Jezus bewust gemaakt wordt, - die onder hun politieke vraag verscholen is, namelijk: de vraag of zij God en mens tegen elkaar mogen uitspelen. Nee, zegt Jezus, die twee mag je niet tegen elkaar uitspelen. Kies je voor God, dan kies je ook voor de mens, want God zelf kiest voor de mens. Doe je mensen te kort, dan doe je God te kort. Doe je God onrecht, dan doe je de mensen onrecht. Jezus kiest niet tussen God en de mensen, Hij verenigt God en de mensen; Hij verzoent in plaats van te polariseren. Hij verzoent, zoals we aan het begin hebben gesteld, de persoon en de gemeenschap, helemaal ik en helemaal de ander. Dat gebeurt als je ‘ik’ zich onderwerpt aan God. Als je gekomen bent om Hem te aanbidden, om Hem de eerste te laten zijn, dan komt iedereen aan zijn trekken: ik én de ander.

Zoeken in Preken Online