De mens behoort alleen God toe (2008)

A-cyclus · Tijd door het jaar · 29e zondag · groen

Het zal toch niet waar zijn. Je kunt de afgelopen week geen gesprek voeren, geen krant openslaan, radio of TV aandoen, of het gaat over de financiële crisis. Laatst ging de helft van het achtuurjournaal alleen maar daarover. Dan ga je naar de kerk, en waar gaat het over? Over geld! En toch … als we goed naar de lezingen luisteren, zullen we volgens mij ontdekken dat het hier uiteindelijk níet over geld gaat.

In de eerste lezing uit de profeet Jesaja, schenkt de HEER, de God van Israël, de grote Perzische koning Cyrus overwinningen op zijn tegenstanders. Letterlijk staat er dat hij koningen de gordels van de lenden trekt. Vertaald in goed Amsterdams betekent dit: ze de broek van hun kont trekken, oftewel, Cyrus vernedert die koningen, zet te schande. Maar, zegt Jesaja, Cyrus weet niet wie deze God is, die hem zo bij de hand neemt.

Mensen die in Israël in naam van God een belangrijke taak krijgen, zoals koningen, priesters en (sommige) profeten, werden voor die taak gezalfd. Dat waren altijd mensen van Gods eigen, Joodse volk. Velen van u weten dat het woord ‘gezalfde’ in het Hebreeuws weergegeven wordt door Messias (en in het Grieks Christos, in het Latijn Christus). Het bijzondere van deze Jesajatekst is dat de Perzische koning Cyrus hier Messias, gezalfde heet, terwijl de Perzen geen Joden, maar (dus) heidenen zijn. De Perzen waren de overwinnaars en daarmee ook de opvolgers van de Babyloniërs, die het Joodse volk in een van zijn grootste tragedies in ballingschap naar Babel hadden gevoerd. Cyrus is de grote koning van zijn tijd die Babel en vele andere koninkrijken overwint, en vervolgens - uiteraard om politieke redenen, om de onderdrukte bevolking zoet te houden - Israël de kans geeft terug te keren en in Jeruzalem de stad en de tempel weer op te bouwen. Uiteraard maakt dit hem op dat moment in Joodse ogen tot een held. Dan nog blijft het uitzonderlijk, misschien zelfs wel uniek dat hij als niet-Jood door Jesaja, profeet van Israël, Gods gezalfde wordt genoemd. Daar staat bij Jesaja overigens wel tegenover dat diezelfde God Cyrus glashelder zegt: “Ik deed dit, Ik gebruikte jou met het oog op Israël, mijn uitverkoren volk. Dáárom heb Ik jou bij je naam genoemd en je deze eretitel gegeven: om duidelijk te maken dat Ik God ben, Ik de HEER, en niemand anders.”

De situatie in het evangelie is veel ingewikkelder.
Het Joodse volk woont enkele eeuwen later weliswaar in het ’eigen’ land Israël, maar wordt nu overheerst door de Romeinen. Het is duidelijk dat niemand hier blij mee is, maar dat is dan meteen ook het enige waar ze het allemaal over eens zijn. In de praktijk gaat elke groepering op z’n eigen manier met deze bezetting om. De een - de Herodianen van vandaag

  • vindt dat je zoveel mogelijk moet meegeven, en intussen proberen zo gewoon mogelijk door te leven. De andere, veel bekendere groepering die vandaag samen met de eerste bij Jezus komt, is die van de Farizeeën, en vindt dat de Herodianen collaboreren, heulen met de Romeinse vijand. Er zijn ook anderen die uit alle macht tegen de Romeinen ingaan, en daarbij geen geweld schuwen, maar ja, het risico daarvan is weer dat de Romeinen strenge straffen opleggen, waar dan vooral het gewone, onschuldige volk het slachtoffer van wordt.

    In die vreselijk moeilijke situatie waarin het Godsonmogelijk is om politiek neutraal te zijn, bevindt ook Jezus zich, en ook hij moet voorzichtig zijn, zoveel is wel duidelijk. Hij is geen ruziezoeker, is ook geen politiek activist, maar altijd wel heel duidelijk in waar hij staat.

    Op zich is het op z’n minst opvallend, om niet te zeggen ronduit verdacht dat juist Herodianen en Farizeeën met zo&n vraag gezamenlijk naar Jezus toe komen. Zij zijn het vrijwel nergens over eens, en zeker niet over de relatie met de Romeinen. En nu is hun gezamenlijk vraag of het geoorloofd is om belasting te betalen aan de keizer. Het antwoord van Jezus bestaat uit drie stappen.

    Allereerst maakt hij ze uit voor huichelaars en vraagt ze om hem een belastingmunt te laten zien. Er zijn sterke aanwijzingen die er op wijzen dat dit betekent dat Jezus zelf zo’n munt niet heeft, en ook niets met deze belasting te maken wil hebben (vgl. Matteüs 17, 24 en Lucas 23, 2). In elk geval ontmaskert hij hier de vraagsteller, want die heeft de munt kennelijk gewoon op zak. Da’s toch raar, als je suggereert dat je in gewetensnood verkeert over dit onderwerp, maar intussen het geld wel gewoon in je zak hebt zitten. Dat klinkt niet heel oprecht, en in plaats van Jezus in de val te lokken, vallen ze in hun eigen kuil.

    Vervolgens brengt Jezus ze nog meer in verlegenheid door nog eens door te vragen: “Wat staat er eigenlijk op die munt? Voor alle duidelijkheid: zowel in afbeelding als in opschrift?” Zij moeten dan als gelovige Joden bekennen dat zij met dit geld op zak lopen waar de Romeinse keizer Tiberius op staat afgebeeld, terwijl er toch een heel duidelijk gebod van God is dat het maken van beelden verbiedt. Daarnaast staat op die munt ook nog eens geschreven dat dit de goddelijke keizer Tiberius is. Die dubbele heiligschennis in afbeelding en inscriptie moet iedere gelovige Jood doen gruwelen, maar zij lopen er mee op zak, en durven dan Jezus nog te komen vragen wat ze moeten doen.

    Het derde antwoord dat Jezus geeft, is geen vraag meer, maar een stellingname: “Geef aan de keizer wat van de keizer is, en aan God wat van God is.” Dit antwoord is in de loop der geschiedenis heel verschillend verstaan en misbruikt. Daaruit blijkt wel hoeveel het uitmaakt met welke oren je luistert. Als er eventueel Romeinen stonden te luisteren, hadden zij zich waarschijnlijk prima herkend, want in hun ogen en oren waren de keizer en god een en dezelfde, en dus waren ze tevreden. Eeuwen later heeft een Duitse keizer deze uitspraak van Jezus geciteerd toen hij troepen nodig had voor de Eerste Wereldoorlog: “Geef aan de keizer wat van de keizer is.”

    Wat Jezus, volgens mij, oneerbiedig gezegd, zegt, is: Laat hem zijn rommel maar houden, daar wil je toch helemaal niks mee te maken hebben. Maar geef God de eer die God toekomt. Vergeet nooit: alles behoort God toe. Zelfs de keizer die denkt god te zijn en dat denkbeeld met macht en geweld oplegt, behoort God toe.

    Waar het vandaag in de lezingen om draait, is niet om geld, maar om de mens in zijn relatie tot God en de wereld, de mens die niet mag worden opgeofferd aan welke afgod ook. Beelden maken van God mag niet, omdat de echte God niet in beelden of woorden te vangen is, maar vooral omdat dit áltijd ten koste gaat van het enige beeld van God dat wel mag bestaan, het beeld dat God van zichzelf heeft geschapen: de mens! God heeft de mens geschapen naar zijn eigen beeld en gelijkenis. (Genesis 1, 26)

    Die God kan de Perzische koning Cyrus, zonder dat die het weet, gebruiken om zijn volk te helpen. Zou die God in 2008 dan niet uit de financiële crisis iets goeds geboren kunnen laten worden, al was het maar het inzicht dat niet de economie, laat staan de geldzucht en de hoogste winstmarges en bonussen, maar de mens in Gods ogen het hoogste goed is.

Zoeken in Preken Online