Om het beeld van God

A-cyclus · Tijd door het jaar · 29e zondag · groen

Door de kindermoord in Betlehem is koning Herodes een berucht figuur geworden. Wreedheid is een eigenschap van hem gebleven tot in zijn laatste dagen. Toen zijn lichaam zozeer door ziekte was aangetast, dat niemand het in zijn buurt kon uithouden vanwege de stank, liet hij 300 aanzienlijke mensen opsluiten. Zij zouden gedood moeten worden op het moment dat hij stierf. Als zijn onderdanen dan al niet zouden treuren om het verlies van de koning, dan zouden ze toch minstens huilen om de dood van deze mensen, zo was zijn redenering, In diezelfde tijd liet hij ook een aantal mensen straffen, die tegen hem in opstand waren gekomen.
Herodes had namelijk in de tempel van Jeruzalem een beeld laten aanbrengen van een Romeinse adelaar. In de ogen van het Joodse volk was dit iets afschuwelijks. Niet zozeer omdat de adelaar een symbool was van de Romeinse onderdrukker. Veel erger was het in joodse ogen, dat hiermee een gebod van God overtreden werd: Gij zult geen beeld van de Heer uw God, van een mens of enig dier in uw midden hebben.

Farizeeën en priesters waren naar Herodes gelopen, hadden gesoebat en gesmeekt, maar de koning was hardnekkig en het beeld was op zijn plaats gebleven. Enkele jonge mannen, die heel goed wisten, wat ze riskeerden, zijn toen bij de adelaar geklommen en hebben hem onder gejuich van de omstanders verwijderd. Hoewel Herodes ziek was, gaf hij bevel de jongens en de omstanders ogenblikkelijk te doden. De twee, die het werk hadden uitgevoerd, werden ter plaatse levend verbrand en veertig omstanders werden in stukken gehakt.
Er zijn in de geschiedenis van het Joodse volk tot op de dag van vandaag voorbeelden van heldhaftig optreden terwille van het gebod van de Heer om geen beelden te maken. Farizeeën en schriftgeleerden hebben zich altijd sterk gemaakt voor die wet.
Deze zelfde Farizeeën staan, nog maar kort na het gebeurde in de tempel, voor Jezus en op de vraag van Jezus “met welke munt zij de belasting gaan betalen?”, halen ze uit hun beurs een geldstuk. En - God betere het - op dat geldstuk staat diezelfde Romeinse adelaar en aan de andere kant - en dat is nog erger - een beeld van de keizer met daaronder de woorden: “Tiberius, zoon van de goddelijke Augustus.” Het spreekwoord “geld stinkt niet” stamt ongeveer uit die tijd en is wel heel toepasselijk op de situatie, waarover het hier gaat. Principes moeten wijken waar geld en de macht van het geld aan de orde komen.

“Geef in ieder geval niet aan de keizer, wat aan God toekomt.” Jezus geeft met deze woorden duidelijk kritiek op de macht van de Romeinse keizer, die zich goddelijke macht toeeigende. Niet alleen liet de Romeinse keizer zich als god vereren, hij had ook een absolute, goddelijke macht over leven en dood van zijn onderdanen. Jezus geeft kritiek op alle macht die absoluut is, die zich goddelijke rechten aanmatigt. Absolute macht in de zin van ongecontroleerde macht, macht die zijn gang maar mag gaan. Macht die geen tegenspraak krijgt, is levensgevaarlijk.
Daarom mag geen mens absolute macht hebben over het leven en het welzijn van anderen. Déze macht komt alleen God toe. En Gods macht is de macht van de liefde en dat is ‘dienende’ macht. Zijn dienst aan de mensen bestaat in mens-wording, mensen overeind helpen, de zwaksten het meest. Zijn macht is geen dodende, geen leven-bedreigende macht, maar leven-veroorzakende, leven-brengende, ‘eeuwig-leven’ gevende macht.

Daarom: pas op voor de keizer, de absolute machthebber, die zich macht toeeigent over leven en dood, die daardoor zijn boekje verre te buiten gaat en zich opstelt op de plaats van God zelf. En in onze tijd is het zeker niet beter. Wij worden ook voor de keuze gesteld tussen de keizer en God. Als dan aan de keizer toekomt, wat zijn beeld draagt, komt alles wat met Gods beeld is uitgerust aan God toe. Uit het eerste bijbel-boek kennen we de dragers van Gods beeld, want wanneer het daar gaat over de mens, wordt er gezegd: “En God schiep de mens naar zijn beeld en gelijkenis.”
In onze maatschappelijke structuur wordt vaak beleden, dat het gaat om de mens en zijn geluk, dus om Gods beeld. Maar als het er op aan komt, blijkt de werkelijkheid wel even anders te liggen. Dan is het de macht van het geld, die uitmaakt of mensen geholpen worden. De vraag: “Wat verdien ik ermee?” gaat boven de vraag “Hoe kan ik van dienst zijn?”

Het lijkt of we een mooi boek hebben met idealen van menselijkheid en vrede, maar we slaan het dicht en vergeten het, als het om geld gaat. Toch blijft het beeld van God aan onze deur kloppen om aandacht, belangstelling en hulp. Niet de mens voor het geld, maar het geld in dienst van de mens. Misschien dat, als we alvast een begin gemaakt hebben, de om keer eens volledig zal worden.

Zoeken in Preken Online