“Geef aan de keizer terug wat van de keizer is, en geef aan God terug wat van God is.”
Zusters en broeders, zoals zo dikwijls sluit Jezus een discussie of een parabel af met een kernzin die ge nooit meer zult vergeten. En om die zin hier te begrijpen, is het goed dat we de situatie kennen. Al een hele tijd zitten de farizeeërs achter Hem aan, en telkens opnieuw vangt Hij ze in hun eigen woorden. Dat hoorden we de voorbije weken in de parabels van de twee zonen, de misdadige wijnbouwers en de gasten die niet naar het feest wilden komen. Telkens staan de farizeeërs in hun hemd, op het tempelplein nog wel, dus ten aanschouwe van heel het volk, want op dat plein speelde zich het joodse openbare leven af. Ze zinnen op wraak, die farizeeërs, maar zelf naar Jezus toegaan, dat durven ze niet meer, want ze zijn bang nog eens voor schut te staan. Dus sturen ze hun leerlingen op hem af, samen met enkele Herodianen. En die twee samen, dat is een monsterverbond, want de farizeeërs zijn tegenstanders van de Romeinse bezetter, de Herodianen daarentegen zijn collaborateurs. En de vraag die ze daar op dat tempelplein aan Jezus stellen, is een enorme valstrik: moeten wij, joden, nu al of niet belasting betalen aan de bezetter? Antwoordt Jezus ‘ja’, dan krijgt Hij het volk tegen zich, zegt Hij ’nee’, dan krijgt Hij gegarandeerd last met de Romeinse bezetter. Ge weet hoe Jezus hen in hun eigen val laat lopen. ‘Toon me eens zo’n belastingsmunt’, zegt Hij. Hij weet natuurlijk ook dat daar de beeltenis van de keizer op staat, maar Hij laat het hèn zeggen, en dan antwoordt Hij heel ironisch: “Wel, als die munt van de keizer komt, geef dan aan die keizer terug wat van hem is, en geef aan God terug van God is.
Zusters en broeders, ik weet niet zeker wat Jezus precies bedoelt met dat van die keizer, maar wat ik wèl weet, is dat zijn boodschap ligt in het tweede deel van zijn antwoord: “Geef aan God terug wat van God is.” Dus moeten we ons afvragen wat van God is, want dat komt Hem toe. Het antwoord is zo eenvoudig dat we het allemaal kennen: van God is de aarde en allen die haar bewonen. Al wat bestaat is schepping van God, en de kroon van die schepping, dat zijn wij, dat is de mens, geschapen naar zijn beeld, en geroepen om op Hem te gelijken. Pas als we dat goed in ons achterhoofd hebben, begrijpen we de volle diepte van Jezus’ woorden, en wordt het eerste deel van zijn antwoord zelfs overbodig. Want de keizer mag vragen wat Hij wil, hijzelf komt ook van God, en ook hij moet aan God geven wat aan God toekomt.
“Geef aan God terug wat van God is.” “Geef”, zegt Jezus, en misschien werd dit woord vroeger weinig beklemtoond, zelfs over het hoofd gezien. “Geef.” En wat dat is, weten we: geef uzelf aan God, die uw schepper is, en geef uzelf aan elkaar, want allen zijt ge Gods schepselen. Geef uzelf vooral aan wie in nood is, en spiegel u daarbij aan Jezus, die in woord en daad liet zien wat dat betekent. Want in de bijbel lezen we inderdaad heel concrete verhalen over heel concrete mensen: verhalen over vissers en belastingontvangers, blinden en kreupelen, tollenaars en melaatsen, vrome lieden en overspelige vrouwen, en aan allen bewijst Jezus heel concreet dienst door hen in hun eigenste mogelijkheden te nemen zoals ze zijn, en hen als mens opnieuw tot leven te wekken. En daarmee is het woord gevallen: dienen, want dat is het wat Hij doet.
Zusters en broeders, het vandaag is het Missiezondag, en die gaat onder de slogan: Gezonden om te dienen … elke dag opnieuw. Ik weet niet of het de bedoeling was, maar die slogan vertaalt precies wat Jezus in het evangelie voorhoudt: “Geef”, zegt Hij, en geven doen we door te dienen. En zo verwoordt de slogan inderdaad perfect de kern, het wezen zelf van missie: missie is dienst, niets anders. Dienst aan God, want missie gebeurt enkel en alleen in Hem, door Hem en met Hem. En ook dienst aan de mens, want ze gaat, net als Jezus, naar de vissers en de belastingontvangers waar ook ter wereld, en ze heeft daarbij, net als Jezus, oog voor de concrete situatie van de concrete mens die door het leven gaat als blinde of als kreupele, als melaatse of als tollenaar, als vrome man en vrouw of als prostituee. En net als Jezus, probeert missie die mens in zijn concrete situatie zijn waardigheid terug te geven, en hem als mens tot leven te wekken.
Zusters en broeders, missie is niet oubollig en niet van een andere tijd. Missie is springlevend en van alle tijden. Jezus laat daar geen twijfel over bestaan: “Gèèf, zegt Hij, “geef aan God terug van wat God is, want alles komt Hèm toe, Hem, en Hem alleen.” Amen.