PAARS TEGEN PAARS
Laatst was het Paars tegen Paars. De bisschop van Breda nam het op voor armen in Nederland. Daarop werd hij vinnig afgestraft door ingezonden-brieven-schrijvers en door de regeringscoalities die in de Troonrede juist grote tevredenheid hadden uitgestraald. Men pakte Muskens op ’n woord. Hij had gezegd wat ieder van ons vroeger in de catechismus leerde: “als je moet kiezen tussen twee kwaden moet je het minste kiezen.” Als een moeder moet kiezen tussen eerbied voor andermans eigendom en de gezondheid van haar kind, dan gaat het laatste voor. Muskens krijgt als bisschop veel brieven van mensen die het water tot de lippen staat. Van moeders in de bijstand met kinderen op de basisschool, wanhopig ooit een lening aangegaan en nu vol schaamte nauwelijks in staat haar kinderen zo te kleden dat ze niet worden uitgelachen. Schrijnende brieven krijgt hij en hij wil hun tolk zijn. Maar hij wordt op een woord gepakt. “De bisschop moedigt diefstal aan”, is het enige dat van zijn signaal overblijft. “Laat de bisschop nou maar bidden en wieroken en laat óns regeren.” Geef de keizer wat des keizers is en God wat van God is.
GOD EER AAN DOEN
“Geef de keizer zijn rommel maar terug!”, zegt Jezus, “maar wees er op uit om God het zijne te geven.” Het gekibbel tussen de pro-Romeinse Herodianen en de Farizeeën verstomt. Het gaat erom dat wij God geven wat hem toekomt. Het lijkt een duidelijk antwoord, maar ik heb een probleem.
Eerlijk gezegd had ik dat als kind al. Hóe geef je aan God wat God toekomt? Hoe kan een mens nog iets toevoegen aan het goddelijke, aan wat alles omvat? En als het kan, hóe doe je het dan? Ons werd geleerd: je moet God prijzen en loven. Dat heb ik nooit begrepen. Wat is “God prijzen”? Kan een mens God complimenteren? Is dat geen arrogantie van kosmische omvang? Wordt God niet te zeer gezien als een middeleeuwse tiran met een kinderhart die je moet paaien en lijmen met lofliederen. Een onderwijzer looft een leerling. Het hoort niet tot de normale taak van de leerling om de leraar te prijzen.\
WIEROOK EN KAARSEN
Hoe geef je God wat Hem toekomt, en wat komt hem toe? Geef je God het zijne als je een nieuwe woning inzegent? Geef je God het zijne als je een baby doopt? Of als je de eerste vruchten van het veld en de eerste lammeren vernietigt? Geef je God het zijne als je een loflied zingt in de Kerk? Geef je god het zijne als je een kruis onderhoudt langs een zandweg? Als je meedoet met gezinsbijdrage? Of als je intreedt in een klooster en voor eeuwig zwijgt? Als je wierook stookt en kaarsen brandt, of wanneer je het woord God met ’n hoofdletter schrijft?
In de geschiedenis hebben mensen steeds gezocht naar manieren om God te geven wat Hem behaagt. Vaak waren dat de dingen die je ook een koning schonk: muziek, gezangen, geurige kostbare kruiden, goud en geld. Je kunt daarvan zeggen: de bedoeling is goed. De mens doet zijn best. Hij erkent Gods bestaan door dingen te doen die volstrekt nutteloos zijn en volledige verspilling, als God n¡et zou bestaan. Door ze te doen bevestigt hij dat God een rol speelt in zijn leven, en dat telt meer dan de vraag of God werkelijk zit te wachten op ons lied.\
GERECHTIGHEID
Daarom keurt Jezus het ook niet af. Hij gaat zelf ook naar de tempel. Hij onderhoudt zekere tradities van dingen die je objectief ook zou kunnen laten, maar die door ze te doen het bestaan van God vooronderstellen. Maar als je je nu eens echt wilt verdiepen in de vraag: “Hoe zou ik Gods hart werkelijk kunnen raken?”, dan is die tempelbelasting, dat gloria niet van belang, dan is er slechts één ding: dat je Zijn bedoelingen met de schepping probeert te verstaan, en dat je meehelpt om die schepping recht te doen. Gerechtigheid, dat is voor Jezus God geven wat Hem toekomt. Recht doen aan planten, dieren en mensen. Niet tevreden zijn met een samenleving waarin moeders zich moeten schamen voor de schoenen van hun kinderen, al zouden het er in heel Nederland maar honderd zijn. Recht doen aan arme landen die tot leningen zijn verlokt waaronder ze nog steeds gebukt gaan en waarvan de schuld op de zwaksten is afgewenteld. Recht doen aan mensen: ik roep u op, eraan mee te doen in de collecte want die is voor wereldmissiedag.\
KUSJE VOOR GOD
*Lieve kinderen.
Op school vroeg ik aan de kindjes: “Hoe kun je God een plezier doen?” Ik dacht dat het een moeilijke vraag was, maar iedereen stak een vinger op. Achterin op de voorlaatste bank zat een lief meisje met boven op het hoofd een staartje als een fontein. De juffrouw fluisterde: “Dat is Madelein”, want ik ken niet alle namen. “Zeg het maar, Madelein, hoe kun je God een plezier doen?” Madelein schrok. Ineens wist ze het niet meer. Ze sloeg haar hand voor de mond en keek naar het plafond. Het fonteintje op haar hoofd ging helemaal naar achter. Maar het hielp…! Ze keek blij en begerig. En zei met dunne stem: “Ik zou God een kusje geven.” Toen begon ze te lachen en sloeg weer de hand voor de mond, zodat ik het bijna niet hoorde, ze boog naar voren, zodat het fonteintje goed te zien was en zei: “Maar ik weet niet wáár!”. Je kunt God een plezier doen met een kusje, maar de vraag is: waar moet je dan kussen. “Dat is een probleem”, had Jezus gezegd. “Je kunt voor God zingen, je kunt bloemen geven en een knuffel, maar waar en hoe dan, want je kunt God niet zien. Hij is te groot voor ons verstand, en zeker voor onze armen. Dus”, zei Jezus, “geef die bloemen maar aan een zieke en dat kadoootje aan arme kinderen, want daar wil God zijn. Begrijp je het Madelein?” vroeg ik. En Madelein antwoordde met haar liefste lach: “Nee!”. Ze had gelijk. God is soms moeilijk te begrijpen. *