29e zondag door het jaar A - 2005

A-cyclus · Tijd door het jaar · 29e zondag · groen

“Meester, wij weten dat Gij oprecht zijt en de weg van God in oprechtheid leert.”


Zusters en broeders, het is iets dat mij dikwijls treft in de Bijbel: de tegenstanders van Jezus erkennen zijn goedheid, zijn oprechtheid en zijn eerlijkheid. Zelfs wanneer Hij dank zij hen aan het kruis hangt, zeggen ze: “Anderen heeft Hij gered, zichzelf kan Hij niet redden.” Ze denken dus heel positief over Hem, en toch willen ze Hem dood. Het is iets dat me altijd al heeft geïntrigeerd: waarom haten ze Hem, waarom willen ze Hem dood als ze tegelijk erkennen dat Hij zo goed en zo oprecht is? Dat is onlogisch en onbegrijpelijk? Misdadigers of mensen die echt niet willen deugen, zo’n mensen willen we wel eens liever niet dan wel zien. Maar mensen van wie we alleen maar positieve dingen kunnen zeggen, zo’n mensen willen we toch niet kwijt?

Toch is het Jezus overkomen: farizeeërs en schriftgeleerden wilden Hem weg. Hij moest dood. Misschien omdat Hij té goed en té oprecht was, misschien omdat Hij het altijd opnam voor de armen en voor hen die door de oversten van het volk met de rug werden aangekeken. Misschien ondervonden ze zijn goedheid en oprechtheid als een aanklacht tegen henzelf. Want ze mochten dan wel farizeeër en schriftgeleerde zijn, ze mochten dan wel de alom gerespecteerde oversten van het volk zijn, hun daden waren niet altijd de daden van echt goede mensen. Ze waren hard en meedogenloos voor zondaars en tollenaars, en hadden geen oog voor armen en kleinen, en voor mensen die aan de rand leefden. En precies voor die mensen had Jezus wél bijzonder veel aandacht.

Wat het voor hen helemaal moeilijk maakte, was het feit dat Jezus hen altijd te vlug af was. Als ze Hem op een of andere manier wilden ‘pakken’, kwamen ze er zelf altijd slecht uit. Zoals bijvoorbeeld met de overspelige vrouw. Ze wilden haar stenigen, maar Jezus zei dat diegene die zonder zonde was maar de eerste steen moest gooien. Ze zagen geen andere uitweg dan er stilletjes onderuit te muizen. In het evangelie van vandaag is het niet anders. Opnieuw willen ze Jezus in een moeilijk parket brengen, en opnieuw komen ze er zelf slecht uit. Moet een goede Jood al dan niet belasting betalen aan de keizer? Als Jezus bevestigend antwoordt, krijgt Hij het volk tegen zich, want dat volk haat de Romeinse bezetter als de pest. En zegt Hij ‘neen’, dan kan Hij last krijgen met die Romeinse bezetter. Een heel moeilijke, zeg maar: een heel vuile vraag. Het antwoord komt evenwel op hun eigen hoofd terecht, wanneer Jezus hun vraagt een belastingsmunt te laten zien. Een goede Jood weigert immers met Romeins geld om te gaan. Zonder nadenken halen ze zo’n munt uit hun zakken, waarmee ze meteen het volk tegen zich krijgen. Opnieuw is Jezus een aanklacht tegen hun gedrag en tegen hun onoprechtheid.

Maar moeten we nu al dan niet belastingen betalen aan de keizer? Jezus antwoordt niet met ‘ja’ of met ‘neen’, maar Hij veralgemeent de kwestie: “Geef aan de keizer wat aan de keizer toekomt, en aan God wat aan God toekomt.” Met die woorden laat Hij zien dat niet alle vragen een duidelijk en rechtlijnig antwoord kunnen krijgen. Soms zijn de problemen achter de vragen te ingewikkeld om ze met een eenvoudig ‘ja’ of ‘neen’ af te doen. Vragen waarmee ook wij en onze Kerk geconfronteerd worden, waarbij zowel wij als onze Kerk soms de neiging hebben veel te resoluut te willen antwoorden. Ik geef maar één voorbeeld. Vandaag is er heel wat te doen over een nog te verschijnen Vaticaans document waarin gesteld wordt dat mannen die er openlijk voor uitkomen dat ze homo zijn, geen priester kunnen worden. Ook gehuwde mannen en vrouwen kunnen dat volgens Rome overigens niet. Welnu, dat is een veel te rechtlijnig antwoord op een allesbehalve rechtlijnige vraag. Het is ook een antwoord dat uitsluit, en zulke antwoorden heeft Jezus nooit gegeven. Hij sloot nooit iemand uit, integendeel, Hij nam iedereen op in zijn liefde, in de liefde van de Vader - Hij die liefde is, geen uitsluiting.

“Geef aan de keizer wat de keizer toekomt, en aan God wat God toekomt.” Zusters en broeders, ik ben er zeker van dat we echt ons best doen om aan God te geven wat Hem toekomt: onze liefde, onze eerbied, onze dankbaarheid, onze kleinheid, ons verlangen. Het zou goed zijn als we ook aan de keizer, onze naaste dus, zouden geven wat hem toekomt: onze liefde, onze eerlijkheid, ons begrip, onze rechtvaardigheid, ons medeleven, onze zachtmoedigheid. Allemaal dingen die Jezus ook altijd aan iedereen gegeven heeft. Amen.

Zoeken in Preken Online