Met de vraag of het wel geoorloofd is belastingen te betalen aan de keizer, hopen enkele vooraanstaande joden Jezus klem te rijden. Zegt hij ja, dan erkent Hij de keizer terwijl voor de echte joden alleen God Koning is. Zegt Hij geen belastingen te betalen, dan kan men Hem als opstandeling uitleveren aan de Romeinen. Maar Jezus is slimmer dan dat: Hij toont een muntstuk en zegt : geef aan de keizer wat de keizer toekomt en aan God wat God toekomt. En daarmee is meteen bewezen dat Jezus voorstander is van een scheiding tussen kerk en staat. Maar er is meer.
Hetgeen de keizer toekomt, is wat belastingsgeld. Maar wat krijgt God dan? God krijgt wat van God is. Voor christenen die het leven als een geschenk van God zien, betekent dat dus niet meer of minder dat ze gans hun leven aan God moeten geven. Is het trouwens niet zo dat elke mens beeld van God is, zoals een muntstuk het beeld van de keizer draagt?
Je leven aan God wijden, het is niet bepaald moeilijk daar in deze missiemaand bij stil te staan. We kennen allemaal voorbeelden van mensen die er hun levenswerk van gemaakt hebben Gods Blijde Boodschap met woord en daad te verkondigen. Maar we hoeven het niet zo ver te zoeken: ook wij kunnen door onze manier van geloofsbeleving missionaris zijn voor de vele zoekers in deze tijd. Net als een goede missionaris zullen we ons daarbij moeten aanpassen aan de cultuur waarin we mogen getuigen, zonder daarbij op te gaan in die cultuur en het christelijke van onze boodschap verloren te laten gaan. In theorie is dit een gemakkelijke oefening, maar als dertiger voel je al dat er een behoorlijk verschil is in mentaliteit en aanvoelen met bv. een tiener. Het is natuurlijk gemakkelijker aan te sluiten bij de huilende wolven die de teloorgang van alweer een generatie bezingen. Dat de tieners niet meer massaal gelovig zijn, is uiteraard een vraag voor ons. Het komt er wel op aan hier juiste vragen te stellen. Uit onderzoek blijkt namelijk dat jongeren geloviger zijn dan wij vermoeden alleen beleven ze dat op een andere manier dan wij. Een andere manier is per definitie niet beter of slechter, gewoon anders. Het kan ons even doen nadenken of onze manier van geloof beleven en vieren dan wel de enige heilzame is. Maar hoe groot het verschil in mentaliteit ook mag zijn, het “er zijn voor elkaar” kan altijd. En dat is het tot wat christenen in deze tijd opgeroepen worden: er zijn voor elkaar. Als we beeld van God zijn, dan moeten we Zijn naam waarmaken: er zijn voor elkaar, begrepen als dienstbaar zijn voor elkaar.
Wat aan God toekomt, is echter nog meer: het is gans ons zijn. Toch ook wel goed om daar even bij stil te staan. Voor God hoeven we niet te presteren, hoeven we niks materieel aan te bieden: dat is van de mensen, geef het aan de mensen. Wat we aan God geven, elke dag opnieuw, is onze manier van zijn. Wie zijn we? We kunnen op deze vraag geen antwoord geven zonder te antwoorden op de vraag wie we zijn voor anderen? Hoe staan we in het leven? Zijn wij “als beeld van God” inderdaad levende heenwijzers naar Hem? Zijn we er voor anderen of zijn we er voor onszelf? De staat kan ons veel vragen, maar als zij probeert invloed uit te oefenen op wie we zijn, gaat ze te ver. Wie we zijn, gelovige of niet, dat is iets waar de burgerlijke macht niks over te zeggen heeft. Vandaar het grote belang van godsdienstvrijheid in een land. In ons land heeft men soms het gevoel dat er een grote tolerantie bestaat tegenover alle soorten meningen en opinies, behalve het katholieke. Dit is op zich uiteraard niet goed te keuren, maar het is een reactie van een volk dat de katholieke Kerk nog altijd associeert met macht, ook in het maatschappelijk leven. Het is toch nog niet zo lang geleden dat mensen die niet naar de mis gingen, nagewezen werden? Nu we in tijden leven waar eerder het omgekeerde geldt, zijn bepaalde mensen nog bezig hun kerkfrustraties te verwerken. We kunnen en mogen het deze mensen niet kwalijk nemen, het enige wat we kunnen doen is hen een nieuwe manier van Kerk-zijn te laten ervaren: een Kerk waar het niet gaat om maatschappelijke macht, maar om gelovig zijn: je zo bemind weten door God dat je gans je leven aan Hem durft toevertrouwen en vanuit die zekerheid beminnend in het leven staan. Met dit alles wil ik echter geen steen naar de Kerk gooien, andere tijden moet je niet beoordelen met maatstaven van nieuwe tijden. De Kerk loopt nu trouwens het gevaar om wat te veel te zwijgen in het maatschappelijk debat. Zij, die een bevrijdende en mensverheffende boodschap in Gods naam te verkondigen heeft, moet haar stem laten horen in het maatschappelijk debat. Als ze dit doet op een bescheiden en deemoedige manier, zonder haar moraal te willen opdringen, dan zal ze beluisterd worden. Zeker als ze bestaat uit mensen die proberen te zijn wat ze in wezen zijn: beeld van God. Zijn beeltenis dragen wij in ons leven, aan ons dus om Zijn naam “ik zal er zijn voor u”, mee handen en voeten te geven.
Evangelieprikje (2005)
A-cyclus · Tijd door het jaar · 29e zondag · groen