Inleiding
‘Als Gij zonden blijft
gedenken, Heer, Heer, wie houdt dan stand?’ Als wij worden afgerekend
op onze zonden, op wat wij hebben misdaan, dan zullen we nergens zijn.
Maar als we in onze hardheid, in de verharding van ons hart, zelfs die
toegestoken hand van God zouden afwijzen, als we zelfs de genade zouden
afwijzen, ja, dan brengen we onszelf in een toestand, die lijkt op het
lot van de moordenaars in het evangelie, die door de koning gestraft en
gedood werden, en van wie hij dan ook nog de stad in brand liet steken.
Ja, dan is ons lot gelijk aan de man zonder bruiloftskleed, aan handen
en voeten gebonden, geworpen in de duisternis, een eeuwigheid lang
geween en tandengeknars. Echter, laten we ons door Hem vergeving
schenken, steeds weer opnieuw, dan is ons lot gelijk aan wat de profeet
Jesaja ons in de eerste lezing voorhoudt: aanzitten aan een maaltijd
met heerlijke spijzen, met parelende wijnen, voor altijd deel mogen
hebben aan de liefde van God. Dan mogen wij zeggen: “Dat
is onze God, op wie wij hoopten: Hij heeft ons gered! Dat is de Heer op
wie wij vertrouwen: laat ons jubelen en ons verheugen om de redding die
Hij ons gebracht heeft!” Dan maakt het ons niet meer uit, zoals
Paulus kan getuigen, of we nu in armoede moeten leven of in overvloed
zwelgen. Of we nu rijk zijn of gebrek lijden, dat maakt ons niets meer
uit, als we Hem maar hebben, zijn liefde, zijn
genade. Dat is ons ten deel gevallen, zo maar in de schoot geworpen bij
ons heilig doopsel, die uitnodiging om als kind van God deel te mogen
hebben aan de heerlijke vrijheid van de kinderen van God.
Aan het
begin van de zondagse eucharistie willen wij ons dat te binnen brengen,
en het graag nog eens opnieuw beleven bij de wijding van het water en
met de besprenkeling ermee**
Homilie
Het
evangelie van de vorige zondag ging over Gods trouw, zijn altijd maar
doorgaande trouw. Hij houdt nooit op trouw te zijn. Geen afwijzing doet
Hem het verbond opzeggen, geen teleurstelling doet Hem terugwijken. God
laat ons nooit vallen, Hij begint steeds weer opnieuw Vandaag horen we
in het evangelie over de menselijke ontrouw. Wij worden geconfronteerd
met de mogelijkheid dat de mens ’nee’ zegt en ’nee’ blijft zeggen, ook
op het laatste en definitieve genade-aanbod. We horen ook wat wij
onszelf daar mee aandoen. Dat wordt ons in schrille kleuren
voorgehouden in de bestraffing van het volk en wat er met die man
gebeurt zonder bruiloftskleed. We moeten dit gebeuren niet zien als een
voorspelling, het is geen onafwendbare toekomst waarin wordt voorzegd:
daar loopt het op uit, nee, het is een waarschuwing: denk eraan, het
kán gebeuren.
Matteüs, uit wiens evangelie deze perikoop is
voorgelezen, is iemand die om zich heenkeek en zag hoe mensen met het
bruiloftskleed van de genade van het heilig doopsel omgaan. Hij zag dat
ze soms leven: net als de heidenen. De mens is kortzichtig, hij kijkt
niet verder dan zijn neus lang is, hij gaat zo in op het hier en nu;
wat hem nu bezighoudt, telt. Benedictus noemt dat: de vergetelheid, het
gebrek aan waakzaamheid, het opgaan in het hier en nu. Toch liggen er
in het hier en nu ook kansen te over om zich te kunnen vestigen in de
genade. Er liggen kansen te over om onder te gaan in het hier en nu,
maar er liggen ook kansen te over om op de toekomst vooruit te lopen,
om dat eeuwige leven nu al te mogen genieten, te smaken. We hoorden dat
in de tweede lezing uit Paulus’ brief aan de Filippenzen: Armoede en
overvloed, eten en honger lijden, gebrek en overvloed, dat alles maakt
hem niets meer uit: “Alles vermag ik in Hem die mij kracht geeft.” … “Mijn God zal met goddelijke rijkdom voorzien in al uw noden”, wenst Paulus de Filippenzen toe. Hij wenst hen toe wat hijzelf heeft ervaren: de goddelijke overvloed, nu al!
Hoe
kunnen wíj nu groeien in die goddelijke rijkdom? Dat kunnen we door wél
in te gaan op de uitnodigingen van onze Bruidegom, en niet te doen
zoals die mensen die werden uitgenodigd tot het bruiloftsfeest van de
zoon van de koning. Dat gaat terug op een gewoonte van de mensen in het
maatschappelijk leven van die dagen. Als de koning een groot feest gaat
vieren, nodigt hij daarvoor natuurlijk gasten uit. Zij krijgen een
persoonlijke uitnodiging. Over een tijdje is het dan zover en de
genodigden krijgen als het ware een tweede uitnodiging. Dat is
eigenlijk overbodig, want de eerste uitnodiging hebben ze al op zak, er
hoeft dus niet zo nodig een tweede uitnodiging aan te pas te komen.
Maar nu is het dan toch echt zover, nu moet u komen. “Zie ik heb mijn maaltijd klaar. Komt dus naar de bruiloft.”
Wij denken misschien: die eerste uitnodiging hebben wij gekregen bij
ons heilig doopsel en die laatste oproep: nu is het toch echt zover, is
bij ons sterven. Maar dat is nog zó ver weg. En dan krijg je wat we zo
dikwijls constateren, dat mensen leven in het hier en nu en daar
helemaal niet aan denken, daar niet echt rekening mee houden. Waar we
nú mee bezig zijn, dát telt.
Als we nu eens datgene waar we
mee bezig zijn, zouden zien als zo’n roep, als zo’n uitnodiging tot een
moment van intimiteit met Jezus, omdat wij wat we doen niet doen omdat
het goed is, of omdat wij daar de voorkeur aan geven, of omdat ons dat
nu eenmaal overkomt, maar omdat wij in wat wij doen, een uitnodiging
beluisteren van Hem, een uitnodiging tot intimiteit met Hem, een
ontmoeting met Hem, een afspraak met Hem. Dat we de dingen doen niet
omdat hét goed is, maar omdat de Goede dat wil, omdat Hij het
wil, omdat Hij er met zijn liefde achterzit, omdat Hij in zijn liefde
te beleven is in wat wij moeten doen, in onze bezigheden, in onze taak,
maar ook onze ontmoetingen, in mensen met wie wij omgaan, en in wat ons
overkomt. Alle voorvallen, alle bezigheden, alle woorden, alle relaties
kunnen ontmoetingen zijn met Hem. Die mogelijkheid van een ontmoeting
zit er altijd in, ja, zelfs als we in zonde vallen. Ook dan zijn wij in
staat om een nieuwe ontmoeting te hebben met Hem. Wat ons van Hem
weghaalt, kan ons juist op een nieuwe manier Hem doen ontmoeten, want
zeggen we niet bij de heilige communie: ‘Heer, ik ben niet waardig dat
Gij tot mij komt, - ik ben een zondig mens - maar spreek slechts één
woord en ik zal gezond worden.’ Hebben we dat al niet menig maal
beluisterd in de parabel van de tollenaar en de Farizeeër? Hij zei
niets anders dan: “God, wees mij, arme zondaar, genadig”, en “deze ging gerechtvaardigd naar huis”
(Lc 18,13.14). Dat is dus een rechtvaardiging, een opgenomen worden in
de intimiteit met God op het moment dat je je van je zonden afkeert,
dat je een afkeer hebt van je zonden.
Aan het begin van deze
eucharistieviering hebben we het in de openingszang nog gezongen en
beluisterd: ‘Als Gij zonden blijft gedenken, Heer, Heer, wie houdt dan
stand’, waar blijven we dan? Dan zijn we toch nergens meer. ‘Maar bij U
is vergeving’ en genade. Dat is onze laatste en onze beste kans. Dat is
ons heilig geloof en dat willen we nu dan ook van harte uitspreken in
het Credo: Ik geloof in de almachtige en barmhartige God.