Soms zijn dingen zo vanzelfsprekend dat ze niet meer opvallen. Wie
verhuist naar een nieuw huis, besteedt vaak veel tijd aan het inrichten
van het huis. De mensen die hard aan het werk zijn aan de verbouwing van
ons parochiecentrum kunnen er ook van meepraten. Welke kast zet je waar,
wat hang je aan de muur? Maar alles eenmaal zijn plek gekregen heeft, en
je woont een paar jaar in het huis, kun je je vaak nog nauwelijks meer
voorstellen dat de dingen ook ergens zouden kunnen staan. Zo hebben ook
onze kerken door de eeuwen heen een inrichting gekregen: Een inrichting
die in de meeste katholieke kerken ongeveer hetzelfde is. En centraal in
onze kerk, centraal in ons geloof, staat een tafel.
Dat is niet
vanzelfsprekend: Ik kan me in ieder geval niet zo maar een andere
geloofstraditie voorstellen waarin een tafel zo centraal staat. Maar wij
kunnen niet zonder. De reden dat wij niet zonder kunnen, is dat het meest
centrale ritueel van ons geloof een maaltijd is, de eucharistie. Wij
christenen zijn een volk dat zich verzamelt om een tafel. En eigenlijk is
er niets gewoner dan dat. Gewoon een maaltijd, zoals we er iedere dag een
stuk of drie hebben. Maar dat eten zo gewoon is, betekent niet dat het
zonder betekenis is. Je zou het zelfs als een graadmeter voor een
samenleving kunnen zien. Als je wil weten hoe een samenleving in elkaar
zit, moet je kijken hoe mensen eten: Wie eet er met wie, wie eet er nooit
met wie samen? En wie eet er alleen?
In de bijbel worden ook veel
verhalen verteld over maaltijden. Natuurlijk voorop dat verhaal dat we
iedere week opnieuw vertellen, het verhaal van Jezus’ laatste avondmaal.
Maar dat verhaal kun je niet denken zonder al die andere verhalen. Jezus'
laatste avondmaal was een bijzondere maaltijd, Pesach, een helemaal
ritueel geworden maaltijd waarin het verhaal van de bevrijding uit Egypte
verteld en opnieuw beleefd wordt. En het verhaal van het laatste avondmaal
kun je ook niet verstaan zonder al die andere verhalen van Jezus bij een
maaltijd: over hoe hij at met een menigte mensen, en er tegen alle
verwachtingen in brood genoeg bleek, en over hoe hij at met het uitschot
van de maatschappij, en hoe daar door de keurige burgers van zijn tijd
schande van gesproken werd.
Naast al die maaltijden vertelt Jezus
ons vandaag zelf een verhaal over een maaltijd, een parabel. Als je wil
weten wie God is, zegt Jezus, denk dan maar aan een koning die een
bruiloftsfeest geeft voor zijn zoon. En naar alle kanten gaan de
uitnodigingen: “Kom, want we hebben feest: de beesten zijn geslacht, er is
heerlijke wijn en de tafels buigen door van alle lekkernijen. Kom, en vier
met ons mee.” Zo had Jesaja het ook al verteld: als droom van de eindtijd,
van ons uiteindelijk leven met God. En het is ook een mooi beeld: God als
een royale, je mag wel zeggen Bourgondische koning die een goed feest
geeft.
Maar de gasten blijven weg. Ze gaan gewoon aan het werk. Je
vraagt je af waarom? Is de koning niet belangrijk genoeg? Is, hoe
overvloedig ook, de maaltijd toch niet chique genoeg? Heeft hij mensen
samen uitgenodigd die liever niet samen in één ruimte gezien willen
worden? Want je weet hoe dat soms gaat: Als ze je daar zien, dan roddelt
heel de buurt erover. Wat hun redenen ook zijn, de gasten van het
feestmaal blijven weg. Ook na een tweede uitnodiging. Sommigen mishandelen
de boodschappers die de uitnodiging kwamen brengen en doodden ze zelfs.
Een teken van haat, niets meer en niets minder. En daar blijft het niet
bij met het geweld, want de koning wordt op zijn beurt woedend: Hij dood
de moordenaars en steekt de stad in brand. En ineens wordt het verhaal dat
zo gemoedelijk en Bourgondisch leek te beginnen, ronduit gewelddadig. Wat
is dat voor een koning, voor een God? Tijdgenoten van Matteüs hebben bij
die boodschappers die de uitnodigingen rondbrachten zeker gedacht aan de
profeten die vertelden over Gods overvloedige menslievendheid, en die ook
vaak niet gehoord en soms zelfs mishandeld en gedood werden. En bij het in
brand steken van de stad hebben ze zeker gedacht aan de verwoesting van de
tempel in het jaar 70: Een onvergetelijke gebeurtenis voor Matteüs en
zijn generatie. Alles waar ze in geloofd hadden, het huis van God zelf,
ging in vlammen op. Matteüs duidde het als een nieuw begin: Dat gebouw,
met al ons nationalistische denken erachter (onze god is de beste), dat
moest ook eindigen: met Jezus opent God zijn armen voor heel de wereld,
niet alleen voor Israël. Dat is zeer riskante theologie: wat bedoeld is
als een opening naar alle volkeren, kan al snel omslaan naar haat tegen
het oude joodse volk, Gods eerste liefde. De joden hebben er in de loop
van de eeuwen veel onder te lijden gehad. En dus moet je altijd twee keer
denken voor je je op dat soort wegen begeeft.
Maar de koning neemt niet
alleen wraak, hij gaat een stap verder, en nodigt iedereen van alle hoeken
van de straten en de pleinen uit voor het feestmaal. Voor wie de verhalen
van Jezus kent, is dat eigenlijk nauwelijks meer verrassend: Dat hij die
at met Jan en alleman, en bij voorkeur bij de mensen met wie niemand samen
gezien wilde worden, ook van God vertelt dat hij de zwervers van de hoeken
van de straat uitnodigt: het past zo in de lijn van hoe Jezus leefde dat
je bijna vergeet hoe revolutionair het is.
En het is ook een mooi
verhaal, dat ook voor ons van belang is. Wie leerling wil zijn van Jezus,
past `eigen volk eerst’ dus niet, in welke context dan ook.
En net
als je denkt daarmee het evangelie van vandaag begrepen te hebben, komt er
een toegift, een PS. Er wordt toch nog iemand buitengesloten. En nog wel
om zijn kleding. Ik weet niet hoe het u verging toen u het verhaal net
hoorde maar toen ik het de afgelopen week voor het eerst las, werd ik er
kwaad van. Dit lijkt zo in te gaan tegen alles wat je van Jezus zou
verwachten. Je verwacht niet dat er iemand zo zwaar afgerekend wordt op
zijn kleding, en als het al gebeurt zou je eerder verwachten dat hij er
iemand uit laat gooien omdat hij er veel te chique uitziet, niet omdat de
kleding niet netjes genoeg is. De koning heeft zijn gasten van de straat
geplukt, dan kan hij toch ook niet verwachten dat ze allemaal in hun
feestkleren lopen?
Ik denk dat de riskante zin over het platbranden
van de stad voor Matteüs de aanleiding is geweest om dit verhaal erachter
aan te vertellen.
Net als samen eten is je kleding ook al iets heel
gewoons. Nu heeft kleding een dubbele functie: het verhult en onthult
tegelijkertijd. Enerzijds bedekken we met kleding onze naaktheid,
anderzijds laten onze kleren ook iets zien van wie we zijn. Zeker als je
mensen voor het eerst ziet, maak je op basis van wat iemand draagt vaak al
een eerste indruk van wat dat voor iemand is. Kleding onthult dus ook:
door je kleding zeg je ook al iets over wie je bent. Daarom zijn er in ons
geloof veel verhalen waarin kleding direct gekoppeld aan ons doen en
laten. Het is een van de werken van barmhartigheid: de naakten kleden.
Denk maar aan Martinus, die de helft van zijn kleed afstond aan een arme
zonder kleren. Of denk aan het doopkleed van mensen die gedoopt worden:
vanouds droegen die een wit gewaad, teken van reinheid, van hun nieuw
begin.
Ook in de bijbel wordt kleding vaak verbonden met ons handelen.
Jesaja spreekt over “de mantel van de gerechtigheid”. En Paulus: “Leg de
oude mens af, en bekleed je met de nieuwe mens.”
Zo, als beeld
van ons handelen, wordt het verhaal beter te verstaan. Matteüs heeft net
verteld hoe de stad, de tempel verwoest werd, omdat die vorm van geloven
niet meer kon. Maar nu dreigt een ander gevaar: het gevaar van
triomfalisme: “Zij waren fout, wij zijn goed.” En dan dreigt alsnog een
wij-zij denken. Ooit was ik bij een eerste-communieviering waar als thema
gekozen was voor de zin " het feest kan beginnen want wij zijn
binnen ." Een veel slechter thema voor een eerste-communieviering kun
je niet verzinnen: niet alleen is het nogal egocentrisch, er wordt ook nog
eens vergeten dat wij niet binnen zijn omdat wij zo leuk zijn, maar omdat
God ons uitgenodigd heeft.
En dus krijgt het verhaal door de
toegift ook nog een kritische noot naar ons toe. Ja, onze God kun je je
heel goed voorstellen als een royale koning, bij wiens grote feest
iedereen van harte welkom is: Van welke hoek van de straat je ook geplukt
bent, in welke achterbuurt je ook woont, hier bij het feest van deze
koning ben je welkom: Aan de tafel die hier zo centraal staat, ben je van
harte uitgenodigd om mee te eten van het brood en te genieten van de wijn.
Dat is het eerste, en dat blijft staan.
Maar als je eenmaal binnen
bent, weet je dan ook uitgedaagd om steeds meer op die koning te gaan
lijken: Om zelf zo ruimhartig, zo royaal te leven als hij, om zelf de
mensen van de straat niet te vergeten als je een feest geeft, om niet neer
te kijken op de andere gasten op het feest. Zij die andere ideeën over de
kerk hebben dan ik, zij die van protestantse huize zijn, zij die Pools
spreken, zij die wonen in een woonwagen: zij zijn het koningskind voor wie
deze koning het feest geeft. Wie dat heeft leren verstaan draagt een
feestgewaad, zelfs al loopt hij in zijn ouwe kloffie.\
28e zondag door het jaar A (2008)
A-cyclus · Tijd door het jaar · 28e zondag · groen