Inleiding
‘In de naam van de Heer moet iedere knie zich buigen in de hemel, op
aarde en onder de aarde.’ Deze tekst wordt in het A-jaar gekozen voor
de introïtuszang, omdat de tweede lezing uit de brief aan de
Filippenzen hierover gaat. “Hij die bestond in
goddelijke majesteit, heeft zich niet willen vastklampen aan de
gelijkheid met God. Hij heeft zichzelf ontledigd. Daarom heeft God Hem
hoog verheven en Hem de naam verleend die boven alle namen is. Opdat
bij het noemen van zijn Naam zich iedere knie zou buigen in de hemel,
op aarde en onder de aarde.” Buigen is moeilijk voor ons, dat doen
we voor niemand. Wij vinden dat iedereen gelijk is. In een
gedemocratiseerde samenleving zoals de onze is dat gevoel voor verschil
totaal verdwenen. Er staat niemand boven ons, en wij staan niet boven
iemand, we voelen ons allemaal gelijk. Dus dat ‘zich buigen’ voor
iemand die hoger is, ligt ons niet zo. Maar omdat het God is voor wie
wij ons zouden moeten buigen, en niet voor iemand in de rang der
schepselen, daarom kunnen wij daar toch toe komen. Hij maakt dat voor
ons ook nog gemakkelijk, omdat Hijzelf Zich voor iedereen heeft
gebogen. Hijzelf is gehoorzaam geweest, in die zin: gebogen. Gehoorzaam
niet aan de mensen, maar door de mensen heen aan God, zijn Vader.
Dat
is dan ook wat wij hier vieren: dat Jezus Zich altijd heeft gebogen,
dat Hij altijd ‘ja’ heeft gezegd, dat Hij altijd gehoorzaam is geweest.
En wat doen wij in een eucharistieviering, in een liturgische viering,
anders dan ‘ja en amen’ zeggen. Dat is het enige woord dat er bij u
uitkomt: ‘ja en amen’. En zo moet het ook. Maar zo moet het ook in het
leven buiten de liturgie. Daar moet je ook op alles ‘ja en amen’
zeggen, tenminste, op alle omstandigheden van het leven. Dát is
heiligheid. Je zegt geen ‘ja’ op de macht van een tiran, maar je zegt
dan ja op een goede Vader. Al bij het begin van ons geloofsleven zijn
wij kopje ondergegaan met onze eigen wil, om in overgave aan zijn wil
weer boven te komen als kind van God. Als kind van de mensen met een
opstandige wil, met een weerbarstige wil, ’nee-zeggers’ of ‘ja,
maar-zeggers’, worden wij in aanleg kind van God, en dat betekent:
altijd ‘ja’.
Dat is wat wij in deze zondagse eucharistie nog eens
opnieuw willen doen: dat we ons echt bewust willen zijn, - omdat het
destijds meestal onbewust gebeurde - dat we onze eigen wil aan God uit
handen hebben gegeven en dat steeds weer willen doen.**
Homilie
“Een man had twee zonen”,
en de één zei zus en deed zo en de ander zei zo en deed zus. Er is dus
duidelijk een verschil tussen deze twee zonen. Maar voor wij op de
verschillen ingaan, zou het goed zijn om eerst op de overeenkomsten te
letten. Wat hebben ze beiden gemeenschappelijk? Ze hebben
gemeenschappelijk dat ze allebei moeite hebben met de wil van God. Ze
hebben moeite te doen wat hen is opgedragen, ze hebben moeite om gewoon
‘ja’ te zeggen en ook ‘ja’ te doen. Heel veel mensen hebben daar moeite
mee. Wat ze verder ook nog gemeenschappelijk hebben is, dat ze allebei
zonen zijn, kinderen van de vader. Hij, de vader, is de werkgever. Het
Rijk Gods wordt nu niet vergeleken met een wijngaardenier, die als
werkgever optreedt ten aanzien van zijn werknemer die hij inhuurt voor
een dagloon, voor een denarie voor de dag, zoals wij de vorige zondag
hebben gehoord, maar we hebben nu te doen met een vader die werkgever
is. Van hem zijn de zonen afhankelijk, en dan niet alleen voor hun
loon, maar voor hun bestaan. Tot in het diepst van hun wezen zijn ze
afhankelijk van de vader, afhankelijk van zijn liefde.
De vader “gaat naar de eerste toe en zegt: Mijn zoon, ga vandaag werken in mijn wijngaard.” Hij zegt niet: ‘Man, ga vandaag werken in mijn wijngaard.’ Daarom richt de zoon zich dan ook tot die werkgever niet met mijnheer, maar met: “Goed, vader.”
Daar zit de clou van de parabel! Niet dat dat er per se in moet staan,
want als het gaat over een wijngaardenier, dan begrijpt de Israëliet
die daarnaar luistert als vanzelf dat daar God mee bedoeld wordt en God
is de Vader van Israël. Maar voor ons is het goed te horen dat die
werkgever in dit geval vader wordt genoemd. Dat is fundamenteel! God is
onze Vader en wij zijn zíjn kinderen.
Dat is dan ook het begin
van alle gebed: je je waardigheid bewust maken kind van God te zijn.
Voordat het erover gaat dat je de wil van God moet doen, moet je eerst
weten dat je zelf gewild bent. Dat God jou wil! Als God iets van je
wil, wil Hij in wat Hij wil, altijd eerst jou. Hij heeft ja gezegd op
jouw bestaan, je mag er zijn van God, helemaal en altijd, je bent
gewenst, je bent gewild. Dat is onafhankelijk van je eigen keuze,
onafhankelijk ook van je eigen wil of van je gevoel. Het is niet te
voelen dat God jou wil, soms juist het tegenovergestelde, dat je voelt
dat God je níet wil, of dat je van God verlaten bent, of door God
vergeten wordt. Maar heel diep, onvoelbaar, maar merkbaar voor het
geloof, in de allerdiepste diepte van je wezen, mag je je gewild weten.
Niemand van ons heeft kunnen zeggen: ik wil God als Vader, zoals ook
niemand kan zeggen: ik heb mijn vader en moeder gewild. Nee, het is
juist andersom: vader en moeder hebben mij gewild.
God heeft jou
gewild. Je bent echt gewild, of je dat nu wilt of niet. Dat wij er
zijn, dat ik er ben, hangt dus af van de wil van God. Hij staat achter
je met zijn wil. Het is geen ongelukje, het is geen toeval en je bent
er ook niet een van een serieproductie. Nee, je bent uniek, gewild door
de liefde van God. Zo is het ook met de rest van je leven, dat ligt in
het verlengde van dát fundament. De rest van je leven is niets anders
dan tot ontplooiing brengen van dat allereerste: dat je gewild bent. In
alle omstandigheden van je leven gaat de wil van God vooraf aan je
eigen wil. Alles wat je overkomt, is evenzeer uitdrukking van die
oorspronkelijke voorkomendheid van Gods wil. ‘Ik wil dat je er bent. Je
mag er zijn. Ik zie je graag.’ Precies wat Jezus hoorde van de Vader
bij zijn doop in de Jordaan: “Gij zijt mijn Zoon, de veelgeliefde, in U heb Ik mijn behagen gesteld” (Lc 3,22).
Die
stem klinkt voortdurend van achter de coulissen van het gewone
menselijke gebeuren, van achter alle omstandigheden, hoezeer die
omstandigheden ook een produkt zijn van mijn eigen wil, van de natuur,
van de geschiedenis of van lotgevallen. Daarachter staat Iemand met een
gezicht, met een hart, die dat allemaal in de hand neemt en het
gebruikt als werktuig om te komen tot een ontmoeting in liefde met
ieder van ons: dat wij ‘ja’ zeggen op de wil van God en niet op de
omstandigheden. Je zegt ‘ja’ op Hem. Als wij onze
eigen wil doen en niet de wil van God, dan weten we dus wat we
afwijzen. We wijzen niet het bevel af van een hogere macht aan wie wij
moeten gehoorzamen, tegenover wie wij onze plichten verzaken, niet de
ondoorgrondelijke beschikking van een onpersoonlijke macht, niet de
duistere speling van het lot, maar we wijzen de liefdevolle uitnodiging
van een God-Vader af, die tot een grotere intimiteit wil komen met ons.
We laten God als het ware alleen en zo voelt Hij het ook.
God
voelt dat ook als mensen alleen gelaten worden, zoals dat gebeurde bij
de vader van de verloren zoon (vgl. Lc 15,11-32). De enorme vreugde die
hoog oplaaide in heel dat huishouden op het moment van de terugkeer van
de zoon, de vreugde spetterde er gewoon vanaf, dat is een tegenbeeld
van de ontzettende verlatenheid, smart, pijnigende droefheid die de
vader bij het weggaan, bij het wegblijven en bij het zich verloren
lopen van de zoon heeft ondervonden. Op een discrete manier wordt die
droefheid verborgen onder vreugde. Het is dus echt. Er gebeurt ook echt
wat als we Gods wil doen en er gebeurt ook echt wat in het hart van de
Vader als we zijn wil niet doen. Dat is ook merkbaar in je eigen hart.
Want als je je eigen wil doet, je eigen zin naloopt, dan krijg je een
gevoel van droefheid, de droefheid van de heilige Geest, en die merk je
in je eigen hart. Je voelt je vervelend, naargeestig; je kunt niet
precies omschrijven hoe je je voelt, je kun je niet zo goed uitdrukken,
maar het is er wel. Je voelt als het ware een rood licht: pas op, niet
verder op die weg van je eigen wil, want dit is het begin van het
einde. Ga je verder op die weg, dan zal dit desolate gevoel tenslotte
worden het gevoel van de hel: de totale afwezigheid van God en zijn
vreugde.
Wat is nu eigenlijk de wil van de vader van deze twee
kinderen? We zouden ook kunnen vragen: wat willen de hogepriesters en
de oudsten van het volk niet? Waartegen verzetten de leiders van het
volk zich. Zij verzetten zich tegen Jezus’ houding tegenover de
zondaars, tegen zijn begaan zijn met hen. Twee bevolkingsgroepen worden
hier heel concreet met name genoemd, of liever gezegd: twee
beroepsgroepen, het oudste beroep, dat van de prostituees, en de
tollenaars. De tollenaar voor de mannen, de prostituees voor de
vrouwen. Die werden door de officiële stellingname, - vertegenwoordigd
door de hogepriesters, schriftgeleerden en Farizeeën, - in de rang van
de zondaars gezet, en daarmee zetten zij zichzelf in de rang van de
rechtvaardigen. Ze waren bezig zichzelf te rechtvaardigen en te
oordelen over anderen, om hen vervolgens als onrechtvaardigen af te
schrijven. En dat moest zo blijven, want dat was dé manier voor hen om
zelf in de rang van de rechtvaardigen te blijven.
Dat is dan ook
wat Jezus hen voor de voeten werpt: rechtvaardiging is niet jullie
zaak, dat is een zaak van God. Dat betekent dat iedereen nog een nieuwe
kans kan krijgen. God is niet nadragend. Als je luistert naar zijn
woord, als je je nu zijn barmhartigheid te binnenbrengt en je openstelt
om op zijn weg verder te gaan, dan kun je opnieuw beginnen. Dan heeft
God je gerechtvaardigd, dan loopt je weg rechttoe naar de hemel. Want
God is niet rechtvaardig, dan zouden we nergens zijn, nee, God is barmhartig!
Dat
is wat wij in iedere eucharistie vieren. En hoe ver gaat Gods
barmhartigheid? ‘Dit is mijn Lichaam voor u.’ … ‘Dit is mijn Bloed,
vergoten tot vergeving van de zonde.’ Dat is de inzet van ons geloof.
Dat de Zoon Zich helemaal geeft, Zichzelf overlevert en ook door de
Vader wordt overgeleverd. Want alles wat wij van de Zoon horen, is
afkomstig van de Vader. Hen, de Vader en de Zoon, samen met de heilige
Geest, belijden wij in ons heilig Credo.