OPENINGSWOORD
Broeders en zusters, allemaal welkom. De apostel Paulus zegt ons vandaag in de tweede lezing, dat - als wij ook maar iets begrijpen van wat gemeenschap van Geest is, van wat hartelijkheid en mededogen is - dat wij hem dan blij moeten maken door onze eenheid van denken, onze eenheid in de liefde, onze saamhorigheid en eensgezindheid.
Hoe kunnen al die verschillende mensen tot eenheid komen? Door het recht van de sterkste te volgen? Dan komt er nooit liefde. Het kan alleen maar als wij allemaal onze eigen belangen niet op de eerste plaats stellen en luisteren naar Wie boven ons staat: God, onze Vader. Als iedereen de wil van God doet, is iedereen gelukkig.
OPENINGSGEBED
Laat ons bidden. Heer, Gij spoort ons aan de wegen te betreden, die recht naar U toe leiden. Wij willen wel het goede, maar missen vaak de kracht om ons af te wenden van het kwaad. Breng ons tot inkeer; geef dat wij onszelf niet beter achten dan de anderen en tegenover iedereen rechtvaardig zijn. Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon … . Amen.
PREEK
Vandaag is de vraag wie de wil doet van de Vader. Opgroeiende kinderen zijn erg geneigd om “nee, ik wil niet” te zeggen. En misschien hebben Nederlanders over het algemeen wel een beetje last van opstandigheid. Als de Paus iets zegt of een politieagent zegt iets, dan zijn wij heel gauw geneigd te zeggen: “Dat maak ik zelf wel uit!” Veel mensen houden niet zo van gezag.
Er zijn in onze Katholieke Wereldkerk ook veel mensen, die op de eerste zoon lijken: ja-zeggen en nee-doen. Mensen, die gedoopt zijn en ooit hun communie hebben gedaan, maar die nooit iets voor God en de kerk doen. Er zijn veel mensen, die bij de doop van hun kindje God beloven om hun kind katholiek op te voeden, maar wat komt daar in de praktijk van terecht!?
Wie zou nu het middelpunt van mijn leven en van de maatschappij moeten zijn? Ben ik dat? Met al mijn fouten en gebreken? Moet alles en iedereen zich richten naar mij? Of zou God in het centrum moeten staan? Hij, die heilig en almachtig is, van wie wij deze mooie wereld en ons leven hebben gekregen? Misschien zijn wij niet zo zeer opstandig als wel gewoon een beetje eigengereid. Wij gaan onze eigen weg.
Is het echter niet zo, dat wij mensen sociale wezens zijn? Dat wij de ander en elkaar nodig hebben om gelukkig te kunnen zijn? Mensen, die zich opsluiten in zichzelf, zijn echt geen gelukkige mensen. Je leert het meeste van andere mensen. En alleen zijn mag dan wel in zijn, maar in onze tijd zijn veel mensen ook depressief, angstig en eenzaam. Zo kunnen mensen ook wel denken dat zij zonder God gelukkig kunnen zijn, maar in feite zijn zij ontheemd, vervreemd van God, die hun oorsprong is. Zij zijn vervreemd van de bron van alle leven.
Zouden wij misschien toch niet gelukkiger zijn als wij onszelf zouden afwenden van ons eigen ik en ons meer gaan richten op God en medemens? Wie dat doet, doet de wil van de Vader.
Wie zichzelf vergeet, gaat kijken en luisteren naar een ander, God en zijn medemens. Die ontdekt dat God Vader is, oneindig veel van hem en zijn medemensen houdt. Wie zichzelf vergeet, gaat anderen liefhebben. Die zet de deur van zijn hart wijd open. Die zal altijd klaar staan, wat de ander ook vraagt.
Jezus Christus heeft gezegd, dat er geen groter gebod is dan dat van de liefde. En Gods liefde gaat altijd vooraf aan de onze. Hij was er eerder dan wij. Hij kende ons eerder dan dat wij Hem kenden. Hij heeft ons uitgekozen. De wil van de Vader doen is dan ook allereerst je laten beminnen. En als je je laat beminnen, ga je vanzelf van anderen houden. De wil van de Vader is liefhebben. Niet praten over geboden en voorschriften, niet discussiëren, maar doen, in de praktijk beminnen. Naar je medemensen gaan, naar ze luisteren en ze helpen waar mogelijk.
Je kunt de wil van de Vader alleen maar doen als je niet eigengereid bent. Als je begrijpt dat voorschriften er niet zijn om ons het leven zuur te maken, maar om ons te helpen, te beschermen. Die tweede zoon is dat op gegeven moment gaan begrijpen. Eerst wilde hij niet de wil van zijn vader doen. Maar opeens begreep hij de liefde van zijn vader. En ging toch werken in de wijngaard. Werken is niet altijd even leuk. Maar werken is goed. Werken moet. Wij moeten allemaal onze bijdrage leveren. Voor een betere wereld. Voor een stukje zelfrespect ook.
Laten wij niet eigengereid zijn. Laten wij luisteren. Naar God, naar de kerk, naar elkaar, naar ons eigen hart ook. Als wij goed en eerlijk luisteren, iedere dag weer, komen wij steeds dichter bij God en bij elkaar.