De consequente christen
De parabel “Een vader had twee zonen” (Mt 21, 28-32) was gericht tot de Joodse religieuze volksleiders, die Jezus zeer goed moesten verstaan. Aan beide zonen afzonderlijk zegt de vader: “Ga vandaag werken in de wijngaard”. - De wijngaard is het werkveld van God. - Hij zegt niet: “Kom”, maar: “ga”. Hierin ligt een verschil. Het gaat om een zending. Het was het woord aan Abram: “Ga naar het land dat Ik u tonen zal.” (Gen 12,1). Het werd de grote missie: “Gaat uit over de hele wereld en verkondigt…” ( Mt 28,19; Mc 16,15) of aan Paulus: “Ga naar Damascus” (Hand 22,10). - Hij zegt ook: “vandaag”. “Vandaag” wijst in de bijbel vaak op de voorbijgaande kans die men krijgt. “Als ge vandaag zijn stem hoort, versteen uw hart niet zoals bij de uitdaging in de woestijn.” ( Hebr. 3,15; 4,7; Ps 94,,7) Men moet het nu-moment gebruiken en niet uitstellen.
\
-
- De reactie van de zonen is verschillend:
(a) De ene zegt: “Ik ga niet”; maar hij gaat toch. Hij is niet onderhevig aan formalistische en blinde gehoorzaamheid. In vrijheid gaat hij even nadenken, en hij verandert nadien van mening. Zijn “ja” is vrucht van een rijpingsproces, van bekering. Hij kiest nu bewust voor wat zijn vader hem vraagt. - Bij Lucas vinden we deze korte parabel uitgewerkt in de beroemde parabel van de “verloren zoon” of de “barmhartige vader”. De jongste zoon zegt “nee”, hij gaat bij de heidenen een liederlijk leven leiden en wordt een varkenskweker: in de ogen van de Joodse leiders is hij de perfecte zondaar. Maar door zijn avontuur in de diaspora is hij gerijpt om uit zien en op te kijken naar de barmhartige liefde van zijn vader. Hij keert op zijn stappen terug. Hij is geworden wie hij moet zijn. “Als een boosdoener zich van zijn boze daden afkeert… en in deugd gaat handelen, zal hij in leven blijven.” ( Ez. 18, 28 – eerste lezing)
(b) De andere zegt: “Ja”; maar als puntje bij paaltje komt, blijft hij zitten en gaat hij niet. Van dit soort had Jezus al eerder gezegd: “Niet ieder die tot Mij zegt: Heer, Heer ! zal binnengaan in het Rijk de Hemelen, maar hij die de wil doet van mijn Vader die in de hemel is.” (Mt 7,21). Striemend over hen waren de woorden van Charles Péguy: “Hun handen zijn proper, maar ze hebben geen handen.” - Bij Lucas is het de oudste zoon die thuis is gebleven, en er zonder ziel de letter van de wet onderhouden heeft. Van barmhartigheid en verzoening wil hij niet weten. Hij gaat niet naar binnen. Evangelisch is hij onvolwassen. In hem moeten de Joodse leiders zichzelf hebben herkend. Onomwonden en in tegenstelling met hen spreekt Jezus zijn voorkeur uit voor de tollenaars en de ontuchtvrouwen, die tot inkeer zijn gekomen. Bij de aanzet van zijn strafrede tegen de Farizeeën zal Hij nog zeggen: “Doe en onderhoud alles wat zij u zeggen, maar handel niet naar hun werken, want zelf handelen ze niet naar hun woorden.” (Mt 23, 3) - Bij herhaling horen wij: “ Uw ja zij ja, uw nee nee…” (Mt 5,37;Jac 5,12; 2 Kor 1, 17-20). “ Als een rechtvaardige zich van zijn gerechtigheid afkeert,… zal hij daaraan sterven.” ( Ez 18, 26 – eerste lezing)
\
- De reactie van de zonen is verschillend:
-
- De consequente houding en de echtheid van de christen is een zaak van het hart; ze begint in zijn hart. En daar komt Jezus voortdurend op terug. - (a) De goede boom kent men aan zijn vruchten. De kwaliteit van de vrucht hangt af van de kwaliteit van de boom (Lc 6, 43-45). Onze uiterlijke daden moeten voortvloeien uit wie we van binnen zijn. Dan zijn ze echt en ook vruchtbaar. Indien ze niet echt zijn, dragen ze geen vrucht. - (b) Daarop wijst Jezus ook wanneer Hij zegt dat, indien wij (innerlijk) geloven, wij ook (uiterlijk) de werken zullen doen die Hij doet (Joh 14, 12); overigens is het geloof zonder de werken een dood geloof (Jac 2,18,24).
In wie van de twee zonen vinden we onszelf terug ? Wellicht in beide. - Proficiat wanneer ge op uw stappen kunt terugkeren om “ja” te zeggen. Zulke ommezwaai, een bekering betekent meer voor God, dan een vluchtige “ja”, waarvan men de inhoud niet heeft beseft, en waardoor dat “ja” geen stand kan houden. - Hoe vaak ook hebben wij ons “ja” weer ingeslikt ! Het ja-woord van ons vormsel ! Het ja-woord van het huwelijk ! Het ja-woord bij het doopsel van een kind ! We zeggen dat we geloven, maar we pratikeren niet. Onlogisch. We zeggen het onzevader op waarin we beweren dat we aan anderen hun schuld vergeven. Doen we dat ? De woorddienst van de eucharistieviering wordt afgesloten met de geloofbelijdenis. Daarin beamen we Gods Woord, het evangelie dat ons ten dele werd voorgedragen. Maken we nadien dat ja-woord waar ? Thuis, op straat of waar dan ook ? Op het einde van de eucharistieviering zegt de priester: “Gaat nu allen heen in vrede”. Hetzelfde woord als van die vader tot zijn zonen “ga”. Dat is een zending. De Mis begint, wanneer ze gedaan is. Mis is “missio”, zending. Maak het waar. “Laten we niet liefhebben met het woord of de tong, maar met de daad en in waarheid.” (1 Joh 3,17) - En bidt ook voor ons, priesters, dat wij in alles consequent en trouw mogen zijn. - Laten we allen authentieke christenen worden in Christus, van wie Paulus schrijft: “Hij was niet ‘ja’ en ‘nee’. In Hem was slechts ‘ja’… Daarom spreken wij door Hem ook ons ‘Amen’. Ja zo is het, God ter ere.” (2 Kor 1, 19-20)
- De consequente houding en de echtheid van de christen is een zaak van het hart; ze begint in zijn hart. En daar komt Jezus voortdurend op terug. - (a) De goede boom kent men aan zijn vruchten. De kwaliteit van de vrucht hangt af van de kwaliteit van de boom (Lc 6, 43-45). Onze uiterlijke daden moeten voortvloeien uit wie we van binnen zijn. Dan zijn ze echt en ook vruchtbaar. Indien ze niet echt zijn, dragen ze geen vrucht. - (b) Daarop wijst Jezus ook wanneer Hij zegt dat, indien wij (innerlijk) geloven, wij ook (uiterlijk) de werken zullen doen die Hij doet (Joh 14, 12); overigens is het geloof zonder de werken een dood geloof (Jac 2,18,24).