De gelijkenis die Jezus in dit zondagsevangelie vertelt, is nog steeds herkenbaar in het leven van elke dag. Elke moeder of vader zal wel ooit eens iets gevraagd hebben waar de één onmiddellijk - zonder nadenken bijna - ja op antwoordt, maar door allerlei omstandigheden (de een al wat positiever dan de andere) gebeurt het uiteindelijk niet. Je hebt dan andere die onmiddellijk neen zeggen, maar het uiteindelijk toch doen.
Deze gelijkenis van Jezus is het tweede deel van een antwoord dat Hij geeft op een vraag van hogepriesters en oudsten van het volk. Die hadden Hem gevraagd op wiens gezag Hij zo durfde te handelen en te spreken. Hij had hen dan de vraag gesteld of Johannes de Doper door God gestuurd was of niet. De hogepriesters en oudsten zaten klem: zeggen ze door God, dan zal Jezus hen vragen waarom ze Hem niet geloofd hebben. Antwoorden ze dat hij niet door God gestuurd was, dan kregen ze het volk tegen dat wel geloofde in Johannes de Doper. Ze antwoordden dan maar dat ze het niet wisten. En dan vertelt Jezus deze zeer korte gelijkenis waarbij Matteüs meteen ook de verklaring in Jezus’ mond legt. Het zijn de hogepriesters en oudsten die “ja” zeggen aan God, maar uiteindelijk niet doen wat van hen verwacht wordt, het zijn “hoeren en tollenaars” die “neen” lijken te zeggen aan God maar door nadenken en bezinning tot “ja” komen.
Als de Kerk dit evangelie op deze zondag voorleest, dan is het opdat wij aan onszelf de vraag zouden stellen tot welke categorie gelovigen wij behoren. Iemand die dit leest of iemand die naar de kerk gaat, daar mogen we van verwachten dat zij in ieder geval al met de lippen “ja” gezegd hebben aan God. Maar beleven we ons “ja” ook met het hart?
Het is zeer menselijk “ja” te zeggen zonder er al te veel bij na te denken. Een mens kan “ja” zeggen bv. al om van het gezaag van anderen af te zijn. Een ander zegt “ja”, maar er komen andere dingen tussen en men vergeet zijn goede voornemens. Een “ja” aan God vraagt echter aan iedereen een ommekeer, telkens opnieuw, ook voor diegenen die altijd al “ja” gezegd hebben. Wie gelovig in het leven probeert te staan, moet zich telkens weer afvragen: wat zou God willen dat ik nu doe? Het is geen vraag die we ons af en toe moeten stellen, maar altijd opnieuw, op ieder moment van de dag. De vraag stellen is al een goede stap, maar dan nog dreigt het gevaar dat wij ons eigen antwoord gaan lezen als Gods antwoord. Als God oproept tot bekering, dan is dat ook voor ons bestemd, niet alleen voor de anderen bijvoorbeeld. God zet mensen op onze weg die voor ons een levende vraag zijn. Misschien zijn dat mensen met wie we liever geen contact hebben omdat we liever met gezonde mensen omgaan, omdat we liever niet de stank van de armoede in onze kleren willen, omdat we liever niet geconfronteerd worden met de diepe vragen die mensen soms aan de grond nagelen, … Misschien willen we ons “ja” aan God enkel maar beleven in de kerk, beperkt onze naastenliefde zich tot hen die wij uitkiezen, … Luisteren wij altijd naar God zoals Hij tot ons spreekt in de bijbel? Ook als een profeet onze welvaart- en consumptiemaatschappij in vraag stelt? Is onze geloofsbeleving nog even dynamisch als het leven zelf, met alle verrassingen en ontgoochelingen erbij? Of is onze geloofsbeleving iets statisch geworden, waar we zelfs niet meer hoeven over na te denken omdat we menen dat we het allemaal wel weten. Wij belijden met onze lippen “ja” aan God, dat is goed. Het komt er nu op aan die “ja” telkens weer gestalte te geven in het concrete leven van elke dag. We mogen ons daarbij niet wegsteken, zoals de oudsten en hogepriesters, achter “het is altijd al zo geweest”. Het leven stelt ons telkens voor nieuwe uitdagingen, ons geloof ook. Wie is vandaag de kleine mens die onze liefde vraagt?
Er zijn ook de mensen die “neen” zeggen aan God. Ook daar kan men verschillende redenen voor opgeven. En dan zijn er ook nog de mensen waarvan we niet weten of ze “neen” gezegd hebben, maar hun levensstijl laat vermoeden dat het wel van dat zal zijn. Hoe gevaarlijk is het niet om als “ja-mensen” van anderen te zeggen dat ze “neen” zeggen, ook al weten we niet wat hun antwoord is. Misschien beleven zij hun geloof wel op een andere manier en zeggen ze zo “ja”.
Maar er zijn dus ook mensen die in eerste instantie niet ingaan op Gods vraag, maar die op een bepaalde dag de genade van de bekering in hun leven ontdekken en tot andere inzichten komen. Deze mensen, bij wie de bekering meestal vrucht is van bezinning en gebed, zullen dan uiteindelijk toch “ja” zeggen aan God. Zij zijn bij God uiteraard ook welkom, dat weten we nog van vorige week. Uiteindelijk is de lippendienst niet belangrijk voor God, maar wel het antwoord dat leeft in het hart van ieder mens.
Wij zeggen “ja” aan God, laten we bidden dat we dit niet vergeten, dat het nooit een automatisme wordt maar ons op elk moment opnieuw doet stilstaan bij de vraag: wat wil God dat ik hier en nu zou doen? Het is niet slecht hetgeen we altijd al gedaan hebben daarbij misschien eens in vraag te stellen. Geloof mag je nooit laten vastroesten, zeker niet in je beleving …\
Evangelieprikje (2005)
A-cyclus · Tijd door het jaar · 26e zondag · groen