Je ziet het gebeuren. Iemand gaat mensen
zoeken om in zijn wijngaard te gaan werken. Kennelijk is er haast
geboden. Kennelijk zijn er echter arbeiders in overvloed te vinden. In
Jeruzalem waren er na de voltooiing van de tempel achttienduizend
werklozen. Het is daarom niet uitzonderlijk, dat de rentmeester die (in
Lc 16) ontslagen dreigt te worden, zegt: ‘Spitten kan ik niet, en voor
bedelen schaam ik mij.’
Wanneer hun werk wordt aangeboden, gaan ze erop in. Het is van belang,
die denarie te bemachtigen. Want die is nodig om in eigen
levensonderhoud en in dat van het gezin te voorzien.
Enkel het verhaal over de afrekening wordt ons verteld. Dat is dan ook
het vergelijkingspunt met het rijk der hemelen.
Maar niet alleen ’s morgens vroeg worden er mensen gezocht. Ook om
negen en om twaalf uur, om drie uur ’s middags, en om vijf uur, een uur
voor zonsondergang. De mensen van de tweede lichting krijgen al te
horen dat ze zullen krijgen wat recht en billijk is. Ze hebben
waarschijnlijk gerekend op een deel van een denarie. Want dat was nu
eenmaal het dagloon van een arbeider. De laatsten zullen hun hoop op
minder hebben gesteld.
Om zes uur ’s middags komt het moment van de afrekening. De laatsten
komen als eersten aan de beurt; een bekend evangelisch trekje! ‘Wat
recht en billijk is, zal ik jullie geven.’ Wanneer die laatsten hun
hand uitsteken, ontvangen ze een denarie. Volgens de normen van het
rijk der hemelen is dat rechtvaardig. Want ze hebben recht op wat ze
nodig hebben om te kunnen leven. Dat is hemelse genade! Dat er pas zo
laat werk voor hen opdoemde, was niet hun schuld. Ze hadden ernaar
uitgekeken.
Mensen hebben recht op een menswaardig bestaan, Dat is ook zo mooi
geformuleerd in de ‘Verklaring van de rechten van de mens’ van 1948.
Maar de miljoenen hongerigen in onze wereld merken daar bitter weinig
van… Gods norm is een andere dan die wij hanteren. Waar mensen voor
ons dachten over God, brengen zij God in verband met ‘recht doen aan
anderen’, want God is genadig.
Bij de vroegkomers ontstaat grote teleurstelling. ‘Als hij zo omgaat
met die laatkomers, dan moeten wij meer krijgen. Hebben wij daar geen
recht op? Wij hebben ons immers veel langer, intensiever en onder een
verzengende hitte voor die man ingezet!’
Horen wij niet iets van eigen gedachten terug in die van die vroege
werkers? Zo in de trant van: ‘Hebben wij in het Westen ons niet veel
meer ingespannen dan de mensen in Afrika en in Zuid-Amerika? Als die
mensen zouden werken zoals wij, zouden ze zeker ook de extra inkomsten
krijgen die wij krijgen! En datzelfde geldt toch ook voor al die mensen
die van een uitkering leven? Ze klagen. Maar als ze meer willen hebben,
moeten ze maar een extra inspanning leveren. Het “extra” valt nooit
zomaar uit de lucht.’
De gedachten van de vroegkomers staan op hun gezichten te lezen,
terwijl ze noodgedwongen hun beurt afwachten en zien dat de
laatstgekomenen een volwaardig loon krijgen. In hun gedachten hebben ze
hun ‘extra’ al in hun zak. Maar wanneer ze hun hand uitsteken om de
denarie en het ‘extra’ te ontvangen, valt alleen de afgesproken denarie
in die geopende hand; d.w.z.: dat wat ze nodig hebben om in hun
levensonderhoud te voorzien.
Hier ontbrandt de oorlog. Niet omdat ze te weinig zouden krijgen. Niet
omdat het
niet zou zijn afgesproken. Niet omdat zij meer voor de dag van morgen
nodig zouden hebben. Maar omdat de anderen ook ontvangen wat iedere
mens nodig heeft om te kunnen leven. Waar mensen over elkaar heen
walsen, waar mensen in de ander een concurrent zien, daar is geen
vrede, maar oorlog; daar vallen, letterlijk of figuurlijk, doden…
Op deze zondag waarop onze aandacht bijzonder wordt gevraagd voor het
kiezen van vrede, luisteren wij naar het woord van Jesaja, die God in
de mond legt: ‘Mijn gedachten zijn niet jullie gedachten, en mijn wegen
zijn niet jullie wegen.’ De profeet roept ons ertoe op, onze wegen van
egoïsme te verlaten en terug te keren naar God, die mensen geeft
wat ze nodig hebben om te kunnen leven; naar God, die vindt dat mensen
recht hebben op wat nodig is om te kunnen bestaan. Dat recht is hemelse
genade. Tot het besef van ‘Alles is genade’, dat leidt tot het
tegendeel van agressie, tot mildheid, tot zorg voor de ander, en dit op
alle niveaus, worden wij vandaag opgeroepen. En dat niet alleen op deze
zondag, maar ook op de andere dagen, opdat de vrede handen en voeten
krijgt.
Vrede hebben met wat je zelf krijgt en anderen gunnen wat zij krijgen,
juist omdat alles genade is, dat is werken aan vrede. Dat is de
genade-van-de-vrede die wij aan elkaar mogen geven. Mogen wij steeds
meer leven in en vanuit onze genadige God. De vrede zal - hoe dan ook -
dichterbij komen.
Kiezen voor vrede (2008)
A-cyclus · Tijd door het jaar · 25e zondag · groen