Bij de bespreking van de miljoenennota deze week klonk de kritiek dat de troonrede alleen maar een boodschappenlijstje was. Waar zat de visie van dit kabinet, zo was de vraag van de oppositie. Het is alsof juist de oppositie nu vraagt om de normen en waarden: onze samenleving heeft het nodig, dat er weer openlijk wordt gediscussieerd over wat ons beweegt, waar we ons aan willen houden en waar we elkaar op mogen aanspreken. Dat is nog niet zo eenvoudig. Vanuit welke waarde leef ik eigenlijk? En hoe vertaal ik die waarde voor mijzelf in een aantal normen, waar ik mij aan houd? Je staat daar lang niet altijd bewust bij stil en het is goed om van tijd tot tijd met elkaar - ook in het publieke debat - aandacht aan deze vragen te besteden.
Als we de lezingen van deze zondag overzien, dan klinkt daar ook iets in door van een waarde, die voor God heel bepalend is. Het probleem is alleen, dat die haaks staat op wat wij mensen gewoonlijk als billijk beschouwen. “Jullie plannen zijn niet mijn plannen - mijn wegen zijn niet uw wegen”, zo heeft de HEER bij monde van Jesaja het laten zeggen. En in het evangelie krijgt de werker van het laatste uur evenveel uitbetaald als degene die de hitte van de dag gedragen heeft. Daar zit naar ons aanvoelen wel iets raars in: er zou toch een zekere verhouding moeten bestaan tussen geleverde inspanning en beloning. Dat is voor onze tijd, waarin soms maanden keihard over een CAO wordt onderhandeld, zo helder als wat. En dan staan we dus voor de vraag: vanuit welke waarde moeten wij die parabel van Jezus verstaan? Wat leert die parabel ons over God, zoals Hij met de mensen omgaat?
Er is in de tekst een woordje, waar je vrij snel overheen leest, maar dat toch de sleutel is tot het antwoord op deze vragen. En dat is het woord vriend, waarmee de landeigenaar zich richtte tot de arbeider van het eerste uur, die protest aantekende tegen zijn handelen. Vriend, ik doe je toch geen onrecht aan? Dat woord vriend - zo gebruikt in de aansprekende vorm, dat komt nog twee keer elders voor in het evangelie van Mattheus. De ene keer klinkt het in de mond van de koning, die een bruiloftsmaal geeft, en tussen de gasten iemand aantreft die niet voor de bruiloft gekleed is: Vriend, hoe ben jij hier binnen gekomen? En de andere keer klinkt het woord in de mond van Jezus zelf, als Hij in dat beslissende uur van zijn leven zich richt tot Judas Iskariot, die Hem in de Hof van Olijven heeft weten te traceren om Hem aan de Romeinen over te leveren: Vriend, waartoe ben je hier gekomen? En in alle gevallen geeft de vriend geen antwoord: hij zwijgt. Deze twee bijbelplaatsen leren ons, dat de aanspreekvorm vriend steeds gebruikt wordt als er sprake is van een uitnodiging van Godswege, maar waar de mens niet op ingaat. De vriend die geen bruiloftskleed aanhad, was niet gereed om deel te krijgen aan het grote feest. De vriend Judas Iskariot, zette zichzelf volkomen buiten spel door Jezus te verraden. De vriend in onze parabel van deze morgen, is dan de man, die niet begrijpt, dat er in het Koninkrijk van God niet wordt gekeken naar wat je doet, wat je gedaan hebt, maar naar wie je bent. Er wordt door God niet met één maat gemeten. Het gaat Hem om mensen - zonder meer. Mensen aan wie van alles mankeert, maar die een ding echt gemeenschappelijk hebben: allen, maar dan ook allen, zijn wij uitgenodigd om tot God te komen; zonder onderscheid. En of wij nu de hele dag gezwoegd hebben, of op het laatste nippertje aan boord gekomen - het maakt geen verschil, want in het Koninkrijk der Hemelen gaat het anders dan hier.
De parabel van deze zondag leert ons dus God kennen als iemand die er naar verlangt om ons het volle pond te geven - zelfs als wij daar maar heel weinig tegenover kunnen stellen. Gods “waarde” - als ik dat zo mag zeggen - is de liefde, die zich onvoorwaardelijk en mateloos wil schenken aan ieder die daarvoor open staat. In die liefde krijgen wij mensen de ruimte om helemaal onszelf te zijn. Wij worden genadig aangezien in alles wat wij doen. Om het in de woorden van onze parabel te zeggen: zelfs al hebben wij de hele dag lang doelloos op de markt gehangen, voor God is het nooit te laat om ons deelgenoot van zijn liefde te maken. Want liefde geef je nooit voor een deel. Echte liefde omvat de totaliteit van je wezen - je licht en je schaduw.
Het is met de liefde zoals met een vrouw die in verwachting is: ze niet een beetje zwanger. Haar zwangerschap vervult haar hele wezen en bepaalt haar hele leven. Een beetje liefde kan net zo min als een beetje zwanger. En daar stuiten we op de norm die voor God voortvloeit uit de waarde van de liefde: zijn norm is het dat Hij vanuit die liefde radicaal kiest voor de mens - zelfs als deze zich van Hem afgewend heeft. Zoals Jesaja het zei: De HEER zal zich over hem ontfermen; Hij vergeeft rijkelijk. Zo is onze God en zo zal het gaan met het Koninkrijk der Hemelen. Amen.