23e zondag door het jaar A

A-cyclus · Tijd door het jaar · 23e zondag · groen

Na die van de bergrede, die over de missie en die van de parabels, geeft Jezus, volgens het Evangelie van Matteüs, een vierde onderrichting aan de leerlingen. Het is een onderrichting over de Kerk. We lezen haar vandaag en volgende zondag. De leerlingen zullen Jezus’ prediking voortzetten. Hier lezen we met welke gezindheid dat moet.

Eerst zegt Jezus dat ‘wie zichzelf gering acht’ zoals het klein kind dat Hij erbij roept, de grootste is in de Kerk. Niemand heeft thuis hetzelfde gekregen als zijn zusjes of als haar broertjes. Heeft Jezus een jongetje of een meisje in de kring van de ernstige leerlingen gehaald? Kinderen krijgen thuis niet allen hetzelfde, maar allen krijgen ze alles. Het is geen verdienste, maar één zelfde gave, zo of anders dan, kind te zijn. Zo is kerkelijk leven gave, leven uit genade. ‘Ik zeg u: als gij niet opnieuw wordt als de kleine kinderen, zult gij het Rijk der hemelen zeker niet binnengaan’. Dit geldt eerst en vooral voor de leerlingen zelf.

De tweede les is ook voor de leerlingen bestemd. De leiders moeten, door hun gedrag, de ‘kleinen’ overtuigen en niet afstoten. ‘Als iemand een van deze kleinen die in Mij geloven aanleiding tot zonde geeft, zou het beter voor hem zijn als men hem een molensteen om de hals hing en hem liet verdrinken in het diepst van de zee’.

Er is een derde les. Als iemand gezondigd heeft is er zachte moed en nederigheid nodig. De leerling moet de zaak niet uitbrengen. ‘Wijs hem onder vier ogen terecht’. Het gaat erom een broeder te winnen. ‘Luistert hij naar u, dan hebt gij uw broeder gewonnen’. Iemand onder vier ogen terechtwijzen is als herder een verloren en gevonden schaap de rechte weg wijzen, terug naar de kudde. Als iemand niet wil luisteren, kan de leerling er een of twee anderen bijhalen. Niet opdat die alles zouden weten, maar opdat ze zouden helpen om wie verloren loopt terug in de groep te halen.

De hele gemeenschap kan misschien helpen. ‘Als hij naar hen niet wil luisteren, leg het dan voor aan de Kerk’. Pas als een man zich door niemand laat overtuigen zal hij ‘als een heiden of tollenaar’ zijn; pas als een vrouw zich zelf buiten de Kerk stelt, is het klaar dat zij zelf geen verzoening wil. De leerlingen nodigen tot verzoening uit. Ze moeten verzamelen en niet verstrooien. Maar wie zelf niet tot de gemeenschap wil behoren, kunnen zij, kan de Kerk niet tegenhouden, omdat God niemand kan tegenhouden zonder zijn of haar vrijheid in het gedrang te brengen.

Volgens Jezus moet de Kerk een thuis zijn. Als een kind weg wil kan niemand het tegenhouden, ook de meest delicate vader, ook de meest liefdevolle moeder niet. De beste herder brengt het onwillige schaap niet terug in de kudde. Geen broer of geen zus, geen familie is in staat een broer of een zus die er uit wil te binden.

Tegenover dit drama van vrijheid en liefde, staat Jezus’ laatste les voor vandaag. Het gebed in zijn Naam vermag alles, ook de verzoening van vrijheid en liefde in het hart van het meest onwillige kind. Er zijn dingen die alleen de Vader kent en niet de Zoon. De kracht van het gebed in Jezus’ Naam is iets dat de Zoon kent en niet de Vader. Het is de rol van de oudste zoon te bemiddelen voor de andere kinderen, en de onwilligen onder hen te overtuigen weer naar huis te komen. Jezus kent deze rol. Hij speelt haar bijzonder sterk. Hoe Hij het doet is het geheim van zijn hart waarmee Hij telkens weer de Vader verrast. ‘Wanneer twee van u eensgezind op aarde iets vragen zullen zij het verkrijgen van mijn Vader die in de hemel is’. ‘Ik ben in hun midden’.

Het is goed in zo een Kerk te leven. Wie de groten telt en de kleinen niet ziet, wie ergernis geeft en zo de kleinen afstoot, wie het niet ter harte gaat dat iemand zich verzoent, wie geen verzoening vraagt in Jezus’ Naam, staat buiten de Kerk, hij zij leerling of kind.

Zoeken in Preken Online