* Het voorgelezen evangelie (Mt 18,15-20) behoort tot de gemeenschapsrede van Jezus. In deze vierde rede volgens de compositie van Matteüs wordt aangetoond hoe in de jonge kerk christenen met elkaar moesten omgaan, vooral daar waar het ging om zwakke leden die een bijzondere zorg nodig hadden. Zo lezen wij hoe de christenen de kleinen niet mochten ergeren (vv.6-10), hoe ze afgedwaalden weer moesten opvangen (vv.11-14), hoe ze afvalligen moesten berispen (vv. 15-20) en hoe ze altijd opnieuw in dienst van de eenheid aan verzoening moesten werken (vv. 21-35).
1. De broederlijke en zusterlijke vermaning was niet nieuw.
-
“Vermaning” heeft hier niets te maken met ‘iemand vernederend uitkafferen en verwijten’, of met ‘tergend iemand de mantel uitvegen en hem met scheldwoorden de grond inboren’. Dat zou in flagrante tegenspraak zijn met Jezus’ woord in de bergrede: “Al wie tot zijn broer zegt ‘raqa’ zal strafbaar zijn voor het sanhedrin, en wie zegt ‘dwaas’ idem met het vuur van de hel” (Mt 5,22).
-
Het Jodendom kende dit soort broederlijke vermaning goed. Die had te maken met solidariteit en medeverantwoordelijkheid. We hoorden het in de eerste lezing: Als je de boosdoener niet tijdig waarschuwt voor zijn gedrag, ben ook jij medeverantwoordelijk voor zijn misdaad (Ez 33,7-9). Die opvatting lag reeds vast in de Thora: “Berisp je naaste om niet zelf in zonde te vallen…” (Lev 19,17). En de wijsheidsliteratuur borduurde daar verder op: “Doe navraag en berisp je vriend (Sir 19,13-17).., Berisp zonder je toornig te maken…” (Sir 20,1-3). Een waarde die we nu vergeten.
-
De strijdlustige Paulus, doordrongen van de Joodse bijbel en vurig van temperament, ontzag het niet in zijn brieven herhaaldelijk zijn vermanende vinger op te steken. Gekend is zijn brede uitval tegen de Galaten, die afvallig dreigden te worden (Gal.3,1), Daar kwam ook zijn vermaning om te vermanen aan de christenen van Tessalonica: “Wij vermanen u, broeders, wijs de leeglopers terecht…” (1 Tes 5,14) en: “Volgt iemand ons bevel niet op… moet ge hem terechtwijzen als een broeder…” (2 Tes 3,15). En zo trok hij door tot zijn medewerkers Timoteüs en Titus: “Verkondig het woord… Weerleg, berisp (!), bemoedig…” (2 Tim 4,2; 1 Tim 5,1-2: 2 Tim 2,25-26; Titus 3,10…).
2. Bij Jezus kreeg deze berisping een bijzondere achtergrond en omkadering.
-
De hoofdtoon bij Jezus is de barmhartigheid en het bidden in zijn Naam. De berisping was er om de andere te redden. Niemand mocht verloren gaan. Vandaar Jezus’ pedagogische strategie van de vermaning in vier stappen: (a) Wijs hem onder vier ogen terecht. Bescheiden. Zo wordt hij niet beschaamd voor het publiek. (b) Als hij niet luistert, roep er een paar anderen bij. Anderen kunnen wellicht meer overtuigend argumenteren. Dan wordt de terechtwijzing wellicht minder subjectief of eenzijdig. Bovendien, waar twee of drie in mijn Naam samen zijn, ben Ik in hun midden. Ik beziel de getuigen en de beklaagde. (c) Als hij nog niet luistert, draag het voor aan de gemeenschap. Dan kan de kerkleiding uitmaken of de beklaagde door zijn hardnekkigheid niet zichzelf al buiten gesloten heeft. Op deze tekst berust de excommunicatie. De Kerk gooit niemand buiten, maar stelt vast dat iemand door zijn gedrag zich zelf reeds buiten de gemeenschap heeft opgesteld. Maar ze is vooral ook de plaats van redding en verzoening, zodanig sterk dat God zelf zich erbij engageert: Wat ge op aarde bindt of ontbindt zal ook in de hemel, bij God zelf, gebonden of ontbonden zijn. Ze is de plaats waar iedereen voor de andere in zake geloofstrouw verantwoordelijk is. Zijn wij wel van deze verantwoordelijkheid bewust ? (d) Als alle middelen uitgeput zijn, beschouw hem dan als een heiden of een tollenaar. In rabbijnse ogen behoorden dezen niet echt meer tot het godsvolk. Maar intussen weten we welke liefde Jezus bleef koesteren voor tollenaars en zondaars, en hoe Hij aan de heidenen zoals aan de Romeinse honderdman (Mt 8,5-11) zijn redding niet weigerde.
-
Deze passage over de broederlijke berisping verloopt helemaal in een klimaat van liefde en barmhartigheid. Aanstonds daarop volgt Jezus’ opdracht aan Petrus om niet zeven maal, maar om zeventigmaal zevenmaal te vergeven (Mt 18,21-22) en onmiddellijk daarna veroordeelt Jezus de onbarmhartige dienaar die niet vergeven wil (Mt 18, 23-25). En de anders zo driftige Paulus speelt daar helemaal op in: “Uw enige schuld blijve de onderlinge liefde… De liefde vervult de hele wet” (Rom. 13,8-10; tweede lezing). In dit Sint.-Paulusjaar mochten we de Apostel beter leren kennen.
* De evangelietekst eindigt met deze alles afsluitende zin: “Wanneer twee van u eensgezind op aarde iets vragen - het moge zijn wat het wil - zullen zij het verkrijgen van mijn Vader die in de hemel is. Want waar twee of drie verenigd zijn in mij Naam, daar ben Ik in hun midden”. Dat is de vijfde en laatste stap: dat wij met anderen bidden voor wie uitzichtloos in zonde verstrikt blijft. Het gelovig gebed wordt verhoord. Wat voor de mens niet mogelijk is, blijft voor God wel mogelijk (Mt 17,20; 19,26; Lc 1,37). Het voorrecht van de zondaar is, dat hij in zijn onwetendheid, zwakheid en ellende Gods hart blijft beroeren. Maar om hem te redden betrekt God iedereen van ons. Wij zijn gezonden om vergevend te verzoenen en te verenigen. Wij kregen het gebod onze naaste in liefde te berispen, en dit nooit zonder ons gelovig gebed in gemeenschap voor hem in Jezus’ Naam.