Mensen gevraagd

A-cyclus · Tijd door het jaar · 22e zondag · groen

Mensen. Je hebt ze in soorten. Iemand zei: je kunt ze verdelen in twee groepen. Mensen van het kleine hart en mensen van het grote woord. De mensen van het kleine hart aarzelen en twijfelen een leven lang. Ze zijn wat bangig, soms zielig. Altijd stuiten ze wel op vragen en problemen. Ze doen wat te doen is, maar pas na veel dubben en tobben. Ze hebben het niet gemakkelijk; altijd knaagt er wat. Ze komen er wel, maar ondanks zichzelf. De mensen van het grote woord daarentegen kennen dat aarzelende, tobbende niet. Ze gaan aan de slag vol enthousiasme, schromen niet te mikken op het hoogste. Ze barsten van de ijver en van de beste bedoelingen - maar slaan evenzoveel planken mis. Het kan gebeuren dat zij de hele wereld winnen maar dat uiteindelijk moeten bekopen met hun levensgeluk. Het zijn geen slow-starters zoals de twijfelaars, maar je zult zien dat ze onderweg nogal eens vallen. Diep.
Twee groepen. Wacht even, zei een ander: mag je ze wel zo uit elkaar leggen? Is het niet zo dat beide soorten ineenvloeien? Ik met mijn grote woorden, ben ik niet tegelijk kwetsbaar en klein van hart? Zou het kunnen wezen, bijvoorbeeld, dat ik de weg naar het grote geld gemakkelijk gevonden heb terwijl ik nog steeds met mijn ziel onder mijn arm loop? Kan het niet zo zijn dat ik wetenschappelijk heel wel uit de voeten kan maar in mijn relaties vastloop? ‘Ik ga over lijken’, zei de yup ferm, - maar over zijn eigen lijk heenkomen, dat lukte hem niet.

Gelovigen. Het zijn mensen, je hebt ze in soorten. Twee worden er uitvergroot voor ons neergezet: Jeremia, de bange profeet, en Petrus, de overijverige leerling. Lang voordat de psychologie is uitgevonden, wordt de zielsverscheurdheid van Jeremia raak beschreven. ‘Enige God, Jij hebt mij verleid, ik liet mij verleiden’, ‘Ik wil er niets meer van weten’, en dan weer ‘Maar dan laait er een vuur op in mijn binnenste’. Dat is de taal van een bedrogen minnaar die zijn geliefde niet loslaat. Een profeet in een identiteitscrisis, bang voor zijn roeping, niet gespeend van zelfmedelijden.
Nee, dan Petrus. Geeft meteen het enig juiste antwoord, staat meteen in vuur en vlam: op zo iemand kun je bouwen. Niks aarzeling, niks angst, een kei van een vent. Dachten we. Dacht hij zelf waarschijnlijk. Maar hij, uitgerekend hij, praat voor zijn beurt. Hij durft grote woorden aan: ‘Jij bent de Messias, zoon van de levende God’, maar gaat ongenadig op zijn ge¬zicht als hij overhaast de verkeerde conclusies trekt. ‘Ga weg, achter mij’, krijgt hij te horen. De steenrots als dwarsligger en struikelblok.

Het is nog goed gekomen met die Petrus. Maar pas na veel vallen en opstaan. En ik kan me niet aan de indruk onttrekken, dat de Schrift een zekere voorkeur heeft voor het Jeremia-type. Ik vrees dat de kerkgeschiedenis me in dat vermoeden bevestigt. Die mensen van het kleine hart, met of zonder gejeremieer: hun vuur lijkt echter, gelouterd, veel kleiner, veel warmer. Het geloof van twijfelaars houdt het langer. Ondanks alles, ondanks henzelf. Zij worden geen ideologen, geen kruisvaarders; zij worden mensen.
Wacht even, hoor ik al: mensen â la Petrus hebben we toch ook nodig? Ongetwijfeld zou onze samenleving verzanden zonder mensen van het grote woord, van de weidse blik, van de moed om noest aan het werk te gaan en fouten op de koop toe te nemen.
Gelovigen, mensen: je mag ze niet zomaar indelen, laat staan afschrijven. Maar het wordt pas echt wat met ons als onder geweld en ambitie door het hart blijft kloppen en krimpen, als we kwetsbaar en klein niet alleen de blik richten op het oneindige maar ook op elkaar en op de spiegel.
Tot zo’n bekering wordt Petrus gedwongen. ‘Ga weg, achter mij, Dwarsligger’. Vreemde paradoxen: wie de Messias herkent, wie messiaans wil leven - dat wil zeggen: toekomstgericht, vooruitlopend op een nieuwe aarde - zo iemand moet een stap terug. Wie leven wil vinden, moet door de tunnel heen van lijden en dood. En wie denkt die harde realiteit over te kunnen slaan komt niet alleen zichzelf tegen, maar is ook een struikelblok voor anderen, loopt de Messias voor de voeten. De dood - de grote dood maar ook de kleine dood van elke dag - laat zich niet wegwerken of wegpraten; de dood moet doorlééfd worden.
Wij hebben elkaar in soorten. Angsthazen en zekerweters, twijfelaars en snelle beslissers, slowstarters en hardlopers. Grote woorden hebben we volop, beleidsvoornemens kasten vol, wijsheid en wetenschap; dromen genoeg van een nieuwe aarde, ook dat. Maar is tussen dat alles ook plaats voor de aarzeling, de kwakkele zegen van het vragen en niet-weten?
Die kwetsbaardere kant van ons, het kleine hart, zou - bijvoorbeeld in onze kerken - geëerd en gevoed mogen worden. Want wat zal het een mens baten, als hij de hele wereld wint maar dat met zijn leven bekoopt?
Mensen gevraagd, om mens te worden.
Mensen die willen geloven in anderen en in zichzelf, ondanks anderen en ondanks zichzelf. Die niet voorbarig Halleluja roepen maar eerlijk omgaan met hun aarzeling. Mensen die elkaar nemen zoals ze zijn: mooi, lelijk, homo, hetero, knap, stom. Geen zielenpoten, wel vrouwen en mannen die de realiteit van gebrokenheid, onrecht en pijn onder ogen kunnen zien. Mensen die toekomst zoeken en daarom een stap terug kunnen zetten.
Gelovigen dus die uitbreken uit de keten van voldongen feiten, dapper of gedwongen. Zij worden geroepen om gaandeweg, tastend, geen dag hun leven zeker, vrucht te dragen.

Zoeken in Preken Online