‘Wat zeggen de mensen over mij? Wat schrijven ze in de kranten over mij? Hoe kom ik over op de televisie?
Zusters en broeders, het zijn vragen die onze politici zich dagelijks stellen, en waarop ze samen met hun raadgevers naar een gunstig antwoord zoeken. Misschien wat meer gelaatsverzorging, een andere bril, een glimlachje hier en een knikje daar. En ook wat meer lichaamstaal, dat komt vertrouwelijk over. En als dat allemaal niet helpt, eventjes de hoofdredacteur van de krant bellen. Wat vleien of wat afdreigen, naargelang van de omstandigheden. \
Ook Jezus stelt zich die vraag. ‘Wie zeggen de mensen dat Ik ben?’ Het antwoord is ronduit ontgoochelend. Niemand lijkt Hem echt te kennen, ze verwarren Hem met Johannes de Doper, Elia of een andere profeet. Maar anders dan onze politici lijkt Jezus zich daar helemaal niet aan te storen. Hij doet in elk geval geen enkele poging om het foute beeld bij te sturen. Hij vraagt alleen: ‘Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?’ Zoals te verwachten, komt het antwoord van Petrus, altijd even spontaan, voortvarend, het hart op de tong. Niet de man van het nuchtere verstand en het doordachte redeneren, wel het gedoodverfde haantje-de-voorste. Een man van uitersten, die het ene moment vol vertrouwen uit de boot stapt omdat hij ervan overtuigd is dat Jezus hem over het water zal laten lopen, en het andere moment panikeert als een kind omdat er meer golven zijn dan verwacht. Een man die met gloed zweert dat hij Jezus nooit zal verraden, en die dat even later met evenveel gloed toch doet, drie keer zelfs. Een man die bereid is voor Jezus te sterven, maar die Hem tegelijk met alle mogelijke middelen uit Jeruzalem probeert weg te houden, omdat daar het zekere lijden wacht. Een op-en-top Jood die, tegen de grote meerderheid van de Joodse christenen in, toch beslist dat Jezus’ boodschap ook voor de heidenen bestemd is, en dat die heidenen niet eerst Jood moeten worden vooraleer ze christen kunnen zijn.
Een man die ook vandaag zonder enig nadenken een antwoord geeft dat verregaande gevolgen heeft: ‘Jezus, Gij zijt niet zomaar een profeet, nee, Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.’ Een antwoord waarop Jezus hem bij manier van spreken meteen ook ‘pakt’: ‘Petrus, gij zijt de steenrots op wie Ik mijn Kerk zal bouwen. Maar denk erom, ge zijt er niet uit uzelf achtergekomen wie Ik ben, maar mijn hemelse Vader heeft u de waarheid geopenbaard. En ook een steenrots zijt ge niet uit uzelf. Ge zijt dat door de kracht die ge van mijn Vader ontvangen hebt.’ \
Zusters en broeders, in de loop der eeuwen is herhaaldelijk de vraag gesteld of Jezus de kerk ooit heeft gewild.
In de voorbije eeuw werd die vraag meer dan eens negatief beantwoord, ook door exegeten en theologen. Meestal waren dat niet katholieke exegeten en theologen, soms waren ze wel katholiek. Maar katholiek of niet, het gaat om mensen die het zouden kunnen weten, want het zijn bijbelkenners die van de studie van God en godsdienst hun beroep hebben gemaakt. En vanuit die kennis en die studie besluiten sommigen onder hen dat Jezus de Kerk niet gewild heeft. Een conclusie die ik niet goed begrijp. Ook wie de bijbel maar oppervlakkig leest, komt immers tot de vaststelling dat Jezus echt wel structuren heeft willen uitbouwen, te beginnen met zijn apostelen, en verder met de leerlingen die geen apostel waren maar die Hem toch bleven volgen of met de tweeënzeventig die Hij twee aan twee uitzond om zijn boodschap te verkondigen. En vandaag stelt Hij heel uitdrukkelijk een leider aan. De steenrots Petrus krijgt de sleutels van het Rijk der hemelen, met andere woorden, hij moet ervoor zorgen dat het woord verspreid wordt en de eenheid bewaard blijft.
Petrus als de steenrots van Gods Kerk. Waarom hij? Waarom niet Thomas die veel bezadigder en ten minste even gelovig is als Petrus? Waarom niet Johannes, de leerling die Jezus liefhad? In het evangelie volgens Johannes vraagt Petrus trouwens uitdrukkelijk aan Jezus waarom Hij hem als verantwoordelijke aanstelt, en niet Johannes. Die is zoveel verdraagzamer, zoveel zachtaardiger, zoveel volgzamer. \
Misschien ligt het antwoord in de figuur zelf van Petrus: een enthousiaste man, een gedreven man, een man wiens daden niet het gevolg zijn van een lang en nuchter afwegen van de kansen, maar van geloof, totaal onbevangen, ongedwongen geloof en blind vertrouwen in Jezus. En tegelijk een man die zichzelf dikwijls voorbijholt, die helemaal niet zo sterk en zo trouw is als hij wel zou willen zijn, die even gedreven is in zijn zwakheid als in zijn kracht. Maar ook een man die nooit opgeeft, die weent als een kind wanneer hij Jezus heeft verraden, die oprecht spijt heeft over zijn misstappen, die nederig zijn schuld bekent en om vergeving vraagt.
Misschien, zusters en broeders, heeft God, heeft Jezus wel voor Petrus gekozen omdat hij zozeer op ons lijkt. Omdat hij een gewone mens is van vlees en bloed, zoals alle andere mensen, met zijn goed en zijn kwaad, zijn kracht en zijn zwakheid. \
Het zou goed zijn als we ons aan hem zouden spiegelen. Hij kan zijn fouten toegeven, hij ontkent zijn eigen zwakheid niet, op zijn misstappen komt hij terug, en niet het minst: hij heeft een geloof dat bergen verzet.
Moge het ook voor ons zo zijn. Amen. \