21

A-cyclus · Tijd door het jaar · 21e zondag · groen

Af en toe, dierbare gasten en parochianen van deze Rozenkranskerk; af en toe heb ik e-mailcontact met een bejaarde vrouw in het noordwesten van de Verenigde Staten. Ze woont in de stad Seattle om precies te zijn. Toen de vrouw in kwestie, Anne, geboren werd, was haar vader al oud. Hij was in dat deel van de Verenigde Staten een pionier. En hij werd een rijk man. Voor een groot deel erfde Anne zijn vermogen. Maar dat is niet aan haar te zien. Ze woont in een klein huis. En ze draagt eenvoudige kleren. Anne is een radicale Amerikaanse katholiek. Ze gruwt ervan dat er in de wereld en speciaal ook in haar eigen land zoveel geld wordt uitgegeven aan de ontwikkeling en productie van afschuwelijk wapentuig. Dat dat overal naar toe wordt geëxporteerd. En dat het ook gebruikt wordt. Vol liefde kijkt Anne naar de mensen die zich in de harde Amerikaanse samenleving nauwelijks of niet kunnen handhaven: dak- en thuislozen, illegale vreemdelingen, de armen … Voor hen zet ze zich in. Daarvoor zet ze ook haar vermogen in. Allerlei sociale initiatieven worden door haar financieel gesteund.

In haar laatste e-mail schreef ze over haar parochie, St. Therese’s Parish in Seattle. Die heeft ’t moeilijk. “Bid voor ons. Wij hebben altijd bekend gestaan als een heel progressieve en sociaal aktieve parochie. Maar nou is ’t niet veel meer.” Zo schreef ze. “We hebben een nieuwe pastor die afkomstig is uit Kenya. In het begin was het heel moeilijk om hem te verstaan. Het is een geweldige vent. Ik vind hem heel aardig. Maar het kerkbezoek is erg gedaald en ook de inkomsten van de parochie. Onze ervaring is: Met een nieuwe pastor verlies je altijd mensen. Maar er komen ook altijd mensen bíj. Maar tot dusver is dat laatste nog niet gebeurd. Dat heeft trouwens ook te maken met de hoge benzine-prijzen. Mensen die vroeger van verre naar ons toe kwamen, die blijven nu weg.” Tot zover, dierbare Obrecht-kerkgangers, het mailtje van Anne waarin ze bericht over zomaar een parochie aan de andere kant van de aardbol.

Mét alle verschillen die er zijn, zult U misschien óók getroffen worden door bepaalde punten van overeenkomst. Want ook hier bevinden wij ons in een overgangsperiode: met een nieuwe pastor. En nu heeft Kees de Wijs, de koordirigent en organist, aangekondigd dat hij met Pasen volgend jaar óók zijn taken wil overdragen. Allemaal veranderingen die gemakkelijk allerlei onrust teweegbrengen.

In de afgelopen paar weken heb ik zelf allerlei kritiek over mij uitgestort gekregen:

Mensen hier zijn niet mild over mijn wijze van voorgaan zo kreeg ik te horen. Die zou gekenmerkt worden door “overdreven aandoende ceremoniëlen op het altaar”.

En dat ik van plan zou zijn om (veel) meer nederlands te willen zingen in de liturgie.

En dat ik de gastpriesters zou willen voorschrijven hoe ze moeten voorgaan.

En dat ik deelname aan oecumenische vieringen zou willen beëindigen.

En wat gaat er gebeuren met de zogenaamde “familie-vieringen”?

En dat ik mij in het algemeen erg zou opstellen als “een baasje”.

En waarom moet er voortdurend verwezen worden naar de Vredeskerk?

En waarom heeft hij het voortdurend over de Rozenkranskerk in plaats van over “de Obrecht”?

Help! Wat gaat er met de Obrecht gebeuren met hém aan het roer; met die goeie ouwe Obrecht met z’n unieke sfeer en cultuur waar mensen van heinde en verre op afkomen?

Ach ja mensen … Is er nog méér misschien? Ik hoor ’t graag! En ik hoor ’t graag van U persoonlijk. Dus liever niet: via-via. Ik hoop dat U niet bang bent van mij. Ík ben ook niet bang voor Ú. Ik wíl dat niet zijn. Transparantie, eerlijkheid en a priori-vertrouwen zijn wat mij betreft absolute voorwaarden wat betreft onze omgang met elkaar.

Het gaat in de kerk ten diepste trouwens niet om mij en om U. “Ik verdrijf U uit uw ambt, Ik vaag u weg van uw plaats” zo hoorden we vandaag van Godswege in de eerste lezing bij monde van de profeet Jesaja. Als ik niet voldoe, dan komt er voor mij een ander, zo leer ik daar uit: “Ik doe hem uw ambtsgewaad aan, Ik doe hem uw gordel om, Ik bekleed hem met uw macht.”

Maar wie bepaalt dat, dierbare gasten en parochianen van deze Rozenkranskerk? Wie of wat bepaalt of wij voldoen? Ik denk: dat bepaalt alleen God zelf. Uiteindelijk komt alleen aan Hem het oordeel over mensen toe: of ze ’t goed doen, naar Zijn zin, of niet. “Nou, dan kun je in feite lekker je gang gaan” zouden we dan kunnen denken en ook zeggen. Maar zó is het volgens mij niet. Er wordt ons in de schriftlezingen van vandaag wel degelijk een criterium geschonken dat ons houvast kan geven wat betreft de vraag hoe dat oordeel van Godswege wat betreft ons functioneren uitvalt.

Kijk maar naar Petrus. “Wie is de Mensenzoon volgens de mensen?” Die vraag legt Jezus Zijn leerlingen voor. In de verschillende antwoorden die zij geven wordt Jezus’ identiteit afgeleid ván, herleid tót bekende grootheden, tot figuren met wie men reeds bekend en vertrouwd is: Johannes de Doper, Elia, Jeremia, één van de profeten. Maar Petrus zegt: “U bent de Messias, de Zoon van de levende God.” En dát is dus bingo, midden in de roos. Petrus reduceert Jezus’ identiteit niet tot wat en wie reeds bekend was, tot de aarde in die zin. Nee, Petrus verbindt Jezus identiteit rechtstreeks met de hemel, met God zelf. Iemand van een andere orde. Zelf heb ik dat gevoel vaak gehad bij pater van Kilsdonk zaliger gedachtenis: dat híj zo iemand was - van een andere orde. Bij Jezus gold en geldt dat in het kwadraat: We doen Jezus’ identiteit alleen maar recht door God ter sprake te brengen.

Jezus is van God. Onze God is van en in Jezus. In het kader van het christelijk geloof zijn God en Jezus niet los van elkaar verkrijgbaar. Jesaja schrijft: “De sleutel van Davids huis leg Ik op zijn schouders. Wat hij opent, kan niemand sluiten; wat hij sluit kan niemand openen. Ik zet hem vast, een pin in een stevig stuk muur”. Die woorden, die we kennen vanuit de adventsliturgie, lezen we in de kerk met het oog op Jezus. Hetzelfde geldt voor Paulus’ woorden in de tekst uit de Romeinenbrief die wij vandaag hoorden: “O, onpeilbare rijkdom van Gods wijsheid en kennis”. “Uit Hem en door Hem en voor Hem zijn alle dingen”. Die woorden hebben met Jezus te maken. Híj moet in ons midden, binnen de Kerk, centraal staan. Hij, Jézus, is het criterium waarin en waardoor bepaald wordt of wij voldóen, of we ’t goed doen - want dat was het punt. Geven wij Hem, Jezus; geven wij Zijn Geest die dezelfde is als die van God; geven wij Hem, die Geest, ruímte in ons persoonlijk leven en in ons gemeenschappelijk leven, in het kerkelijk leven, in de parochie? Dát, veelgeliefden, lijkt mij de beslissende vraag: Hoe dienen en eren wij Hem zo optimaal mogelijk: in hoe wij onze kerk noemen, in de sfeer en cultuur die wij hier met elkaar scheppen, in onze manier van omgang met elkaar, in onze liturgie, in onze ceremoniën, in onze zang (latijn of nederlands), in hoe wij kinderen en hun ouders benaderen, in onze omgang met de gast-priesters, in onze stijl van leiding geven, in onze omgang met de buurtparochie, in onze opstelling binnen de oecumene en zo voort … Gaat het ons in en door dat alles heen wel genoeg om Hem veelgeliefden? Of is het eventueel eerder een soort doel op zichzelf geworden wat wij in en door dat alles najagen? Jezus Christus, de Zoon van de levende God, Hij is het criterium. Hij zou het voor ons móeten zijn, in alles. Het gaat in de kerk niet om ons, maar om Hem. Hij is het centrum. Hij is ons hart en ons hoofd.

Petrus heeft dat begrepen. En dáárom wordt hij door Jezus geprezen. Op hem, op Petrus, kan Jezus bouwen; kan Hij zijn kerk bouwen. Altijd als het om Petrus gaat, veelgeliefden, spits ik speciaal mijn oren. Want hij is mijn naamgenoot. En bij de passage van vandaag realiseer ik mij: Ik wil niets anders zijn en doen dan Petrus. Ik hoop dat de Heer ook op mij bouwen kan. Daarvoor heb ik mij beschikbaar gesteld. En dat wil ik graag zo goed mogelijk doen, in al mijn onvolmaaktheid, beperktheid, onbeholpenheid en onstuimigheid soms, want die laatste heb ik met Petrus ook zeker gemeen. Ik wil het alles doen, samen met U, in het bewustzijn dat wij, om met Paulus in de Tweede Korinthenbrief (4, 7) te spreken, maar “aarden potten” zijn, waarin wij echter wél de overgrote schat van Gods genade mogen ronddragen.

Ooit gaf iemand mij het gedicht ‘De Getuige’ van Willem de Mérode waarin die gedachte “dat het niet om mij gaat, maar om Hem” schitterend wordt uitgedrukt. Tot besluit van deze verkondiging zal ik er twee strofes van voorlezen:

                        Gij zijt het licht, laat mij de luchter zijn,

                        de stille glorie van uw vlam te dragen.

                        De donkere schaduw van Uw welbehagen

                        omhul(le) mij, anderen verblijde uw schijn.

                        Ik zij de fles, wees Gij de gouden wijn.

                        Schuim uit mij in hun beker alle dagen,

                        Opdat hun dorst alleen naar Uw drank vrage

                        En breek mij maar bij 't eind van het festijn. Amen

Zoeken in Preken Online