Waar is God? Hoe kun je Hem vinden? Hoe gaat Hij met ons om? Dit zijn vragen van alle tijden. Geniale denkers hebben daarover geleerde theorieën opgezet. Jezus doet dat niet. Het gewone leven biedt Hem voldoende stof om mensen op weg te zetten naar God, naar het Rijk Gods of het koninkrijk der hemelen. Van alledaagse voorvallen maakt Hij parabels en ge-lijkenissen - doordenkertjes, zeg maar.
Een man vindt een schat in een akker. Een koopman vindt een kostbare parel. Beiden verkopen hun hele bezit om hun vondst te kunnen aankopen. Wat zegt Jezus hiermee over God? Dat het meer dan de moeite loont naar Hem op zoek te gaan, dat Hij het kostbaarste is wat mensen in hun leven kunnen vinden. Maar schatten liggen niet aan de oppervlakte en niet alle glanzende parels zijn echt. Er moet dus gezocht worden. God wil dat we naar Hem op zoek gaan. Waar dan wel? Niet in grote theorieën of buitengewone gebeurtenissen. Hij is te vinden in de akker van het dagelijkse leven.
Misschien vinden we God niet omdat we Hem veel te hoog en te ver zoeken. Misschien vinden we het alledaagse veel te banaal om Hem daarin tegemoet te gaan. God kan alleen ge-vonden worden door mensen die ervan overtuigd zijn dat Hij in het gewone leven te vinden is. Dat vereist een gepaste houding. Wie het allemaal voor bekeken houdt - zo van ‘ik ken het leven, mij maken ze niets meer wijs’ - die zal God niet vinden. Een onderkoelde wrok tegen het leven maakt blind voor de schatten die erin verborgen liggen. En oppervlakkigheid is ook niet de goede weg. Wie schatten wil vinden, moet graven. Wie verwonderd en aandachtig door het leven blijft gaan, maakt kans om de schat te vinden. Wie dankbaar kan zijn om het heel gewone en ontvankelijk voor het onverwachte, zit ook goed.
Wie zoekt, vindt. Die belofte komt in het evangelie herhaaldelijk terug. God laat zich vinden. De vondst geeft wel een onverwachte wending aan de gelijkenissen. De gelukkige vinders verkopen alles wat ze bezitten om schat en parel te kunnen verwerven. Misschien zit daar wel een addertje onder het gras. Die wending doet immers denken aan een heel wat prozaïscher verhaal, met name dat van de rijke jongeling. Die was ook op zoek. Bij Jezus vond hij het antwoord op zijn vragen. Dat had dan wel tot gevolg dat hij afstand moest doen van zijn bezit. Dat kreeg hij niet van zichzelf gedaan.
Voor de gelukkige vinders in onze gelijkenissen is dat echter geen probleem. Ze zijn zo gefascineerd door hun vondst dat ze met genoegen afstand doen van alles wat ze bezitten. Nadien zijn ze namelijk niet uitgeschud en berooid. Ze zijn rijker dan ooit tevoren. Ook dat maakt helemaal deel uit van deze gelijkenissen: God te mogen kennen is het kostbaarste bezit in het leven. Altijd weer hebben mensen alles in de steek gelaten om helemaal voor en vanuit God te leven. Hun vreugde kan niemand hun ontnemen.