Veel wetenschappers geloven dat we in een echte culturele revolutie zitten.
Die vindt zo eens in de 500 jaar plaats, zeggen ze.
En
nu is dat de overgang van het industriële tijdperk naar het informatie-
tijdperk. Dat brengt een nieuwe cultuur met zich mee, een nieuwe manier
van denken, voelen en leven. De huidige generatie tieners is de eerste
die volledig in dit postmoderne denken opgroeit.
Ze hebben weinig
met van verstandelijke uitleg. Ze houden meer van mystiek en
spiritualiteit, magie en symboliek. Wat geloof betreft kunnen ze niet
veel met dogma’s of een credo, met stelligheden, loden begrippen,
waarheden. Geloof heeft voor die generatie jongeren veel meer te maken
met levenskunst, met overgave aan een werkelijkheid die groter is dan
die ze kunnen bevatten.
Daarbij valt ook bij hen toch altijd weer de
Naam van God. Maar die staat in het postmoderne tijdperk voor veel:
voor eeuwigheid, oneindigheid, volmaaktheid. Voor zaken ook waar je wel
een besef, maar geen weet van hebt, alles wat je te boven gaat.
Hij
staat voor het verlangen dat diep verborgen is onder de oppervlakte van
je bestaan. Een verlangen dat gehoord wil worden. Het is de Stem die je
maar steeds niet met rust laat.
De grote vragensteller in je ziel.
Gods
Naam staat voor betrokkenheid tegenover onverschilligheid; aanwezigheid
tegenover leegte; barmhartige liefde tegenover haat. Misschien wel voor
het beste in jezelf.
Hij is de uitnodiging om in mededogen open te
staan voor de ander. Om een relatie met deze God gaat het: dat je
daarmee in liefde verbonden bent en van daaruit leeft.
Deze
nieuwe postmoderne cultuur zal ook bepalend zijn voor de kerk van de
toekomst. En dit eigentijdse geloof laat zich het beste verwoorden en
overdragen niet in traditionele preken, maar in de vorm van parabels,
verhalen, kunst, poëzie en muziek. Want die raken veel meer de hele
mens. Ze spreken tot ons hart, tot onze emoties en ze prikkelen onze
nieuwsgierigheid en onze fantasie. Eigenlijk zijn parabels en verhalen
al eeuwen het voertuig waarmee levenswijsheid wordt doorgegeven. Tussen
hun woorden, in hun stemming en sfeer ligt inzicht verborgen. Al
luisterend of lezend kan het gebeuren dat je, haast onverwacht wakker
geschud wordt en ineens een grote wijsheid ontdekt, die belangrijk Is
voor je leven.
Ook In de tijd van Salomo wisten ze al dat
levenswijsheid geen zaak is van een scherp verstand, maar van een
fijngevoelig hart, een “horend hart” staat er letterlijk. Je weet te
luisteren naar Gods aanwezigheid diep in je ziel. Je waagt het om in
het nu te leven en samen met Hem dicht bij de werkelijkheid te blijven.
Je luistert achter de woorden, leest tussen de regels. Je voelt
intuïtief, maar trefzeker aan wat goed is en wat kwaad, wat de
samenleving dient en wat het schaadt.
Die levenswijsheid wil Jezus ons leren. Van Hem is opgetekend dat ook Hij dat het liefst doet met parabels, grote en kleine.
Telkens
staat er: n6g een gelijkenis hield Hij hun voor, n6g een gelijkenis en
nog een, een aaneenschakeling van beeldende verhalen om toch maar
inzicht te geven in waar het om gaat in het leven.
De meeste
parabels vertelt Hij aan “de mensen”, staat er. Het lijkt op zaad in de
aarde, dat bewuste leven; op tarwe temidden van onkruid, of mosterdzaad
dat een boom wordt. Maar soms stuurt hij die mensenmenigte naar huis of
misschien haakten ze wel af, wie weet.
En als Hij dan alleen is met
de twaalf, dan vertelt Hij deze drie intieme parabeltjes, in de hoop
dat zíj tenminste het zullen vatten en er gelukkig van worden.
Dat
bewuste leven is een verborgen schat waar je alles voor over moet
hebben. Het is een kostbare parel die je helemaal In beslag neemt. Het
is een net vol met allerlei vissen; je moet er echt voor gaan zitten om
de goede er tussen uit te zoeken. Want lang niet alles voedt het echte
leven.
Het zijn verhalen om inzicht te geven in dat hogere niveau van bestaan, die diepere werkelijkheid.
Geld
en goed, hoog geacht zijn, carrière, dat beklijft allemaal niet als het
om zulk levensgeluk gaat, hoe graag de commercie ons dat ook wijs wil
maken. Als je dáár je bestaan op bouwt, dan gaat het eigenlijke leven
beslist aan je voorbij.
Wat beklijft, wat echt geluk geeft, dat is
datgene wat er gebeurt als je antwoord geeft aan de oproep die met Gods
Naam gepaard gaat.
Als je leeft in Gods aanwezigheid en daardoor
liefdevol en goed bent zoals God goed is. Dán krijg je deel aan het
grote avontuur van de geschiedenis, de bestemming van de mensheid. Maar
dat komt je niet zomaar aangewaaid. Nee, die levenswijsheid is diep
verborgen.
Je zult er echt voor moeten kiezen, het moeten opdelven. En je zult er alles voor opzij moeten zetten.
Koninkrijk
der hemelen noemt Jezus die manier van in het leven staan. En die
schat, die parel, dat levensvoedsel, dat wat het leven waard maakt om
geleefd te worden, dat is uiteindelijk God zelf met zijn aanwezigheid.
Of de mens door wie God naar je toekomt en die je “mijn schat” noemt.
Die het beste in je naar boven roept, je eenzaamheid doorbreekt, de
haat uit je laat wegvloeien, de liefde in je tot leven wekt. Dat
koninkrijk, die parel, dat is de mooiste manier waarop mensen met
elkaar kunnen omgaan. Dat is de hemel op aarde.
En dat is niet
iets voor later ooit, als beloning of zo, nee, dat moet hier en nu
gebeuren: nu moet je daar alles voor wegdoen, verkopen, om die schat te
bemachtigen en uiteindelijk de koning te rijk te worden.
“Als je
volmaakt wilt zijn, ga dan naar huis, verkoop wat je bezit en geef het
aan de armen. Daarmee zul je een schat in de hemel bezitten”.
Paulus zal later aan de parochianen van Filippi schrijven:
“Ik
beschouw alles als verlies, vergeleken bij de alles overtreffende
kennis van Christus Jezus, mijn Heer. Om Hem heb Ik alles prijs
gegeven”.
Dat koninkrijk is daar waar mensen elkaar ontmoeten in
vrede, tot elkaar spreken in eerlijke woorden, verzoenen waar haat is,
tegenstellingen overbruggen, met elkaar werken aan een rechtvaardige
verdeling
van alles wat onze lieve oude aarde ons schenkt.
Waar zij Gods aanwezigheid ervaren en met zich meedragen.
Waar ze anderen iets van zijn barmhartige liefde laten ervaren in aandacht en zorg.
Er
is geen m6eten bij, maar eerder een laten, een toelaten van God in je
bestaan. Stil worden misschien, loslaten wat je vastklemt, een beetje
leeg worden, in ieder geval vrij. Verharding afleggen en God in je
laten gebeuren.
Je zult merken dat je dat een gevoel geeft van geluk
en vrede. Je voelt je gewoon goed en je ziet iets groeien wat kostbaar
is en waard om er alles voor over te hebben. En dan hoef je je geen
zorgen meer te maken over die vuuroven en dat geween en tandengeknars.
Dat was zo’n vast gezegde in Jezus’ tijd over een leven dat compleet
vastloopt in goddeloosheid en leegte. Dat deert ie gewoon niet meer.
“Hebben jullie dat begrepen?” vraagt Jezus?
“Ja, zeggen ze, dat hebben we”.
Nou,
dan ben je een schriftkenner en dan weet je dat je elke dag uit je
verworven schat nieuw en oud tevoorschijn kunt halen. Het nieuwe is
misschien de weg die Jezus wijst. Maar ook het oude, de Tora, heel de
Schrift, blijft belangrijk. Je kunt er van leven.
Het is een woord
dat in je zwijgt en waakt en weet, het spreekt je moed en liefde in,
opdat niet ooit je hart bezwijkt en Gods Naam uit deze wereld wijkt.
Daar hebben we een lied over. (Volgt het lied: Dat woord waarin ons richting werd gegeven… t. H.Oosterhuis, mel. Ick seg adieu)
17e zondag door het jaar A (2005)
A-cyclus · Tijd door het jaar · 17e zondag · groen