16e zondag door het jaar A - 2005

A-cyclus · Tijd door het jaar · 16e zondag · groen

Zusters en broeders,
In Londen worden, in naam van de almachtige Allah, tientallen onschuldige mensen vermoord door moslimfundamentalisten. Voor de zoveelste keer wordt God door moordenaars misbruikt en wordt er in een adem gedreigd met meer aanslagen en meer moorden, allemaal in Allahs heilige naam. Tegelijk beloven de leiders van de zeven rijkste landen plus Rusland dat ze in enkele jaren tijd Afrika met heel veel geld uit de armoede zullen trekken. Ontwikkelingsorganisaties reageren ontgoocheld. ‘Veel te weinig en veel te laat’, zeggen ze, ‘en bovendien gaat het om geld dat ook vorige keren al beloofd was.’ Afrika zelf wordt ondertussen geteisterd door oorlog en burgeroorlog, en door politici die hun eigen volk schaamteloos bestelen en uitbuiten. In het rijkste land ter wereld, de Verenigde Staten, leven tientallen miljoenen mensen in de diepste armoede, en hun aantal wordt elke dag groter. Uiteraard worden de rijken er elke dag rijker. Ook bij ons trouwens, en ook bij ons stijgt de armoede elke dag. Warenhuizen vragen hun klanten nu al bij te dragen tot de Voedselbank, die ervoor moet zorgen dat tienduizenden mensen in dit land tenminste te eten hebben. En overal ter wereld groeit de agressie, de onveiligheid, de onvriendelijkheid, de mistevredenheid. Het Rijk Gods, of het Rijk der hemelen zoals het in het Mattheusevangelie genoemd wordt, lijkt verder af dan ooit.
Over het Rijk der hemelen vertelt Jezus vandaag drie parabels. Drie parabels waaruit blijkt dat dit Rijk nu al groeit. Niet ongehinderd en niet zoals het zou kúnnen groeien, maar het groeit. Ook te midden van het kwaad, de armoede, het onrecht, de uitbuiting, de ontevredenheid. Dat horen we in de eerste parabel. Het goede zaad wordt gezaaid, maar de groei wordt verstoord door het onkruid, door het kwade.
Zusters en broeders, Jezus is een idealist, maar tegelijk ook een realist. Als idealist gelooft Hij rotsvast in het Rijk der hemelen, maar als realist beseft Hij dat dat Rijk er niet zomaar komt. Het kwade is nu eenmaal in de wereld, en het zal er altijd zijn, net als het goede. Maar het goede zal overwinnen, daaraan twijfelt Jezus geen seconde. God begint evenwel heel klein in zijn wereld. Hoe klein kan blijken uit de gelijkenis met het mosterdzaadje, een zaadje dat nauwelijks één milligram weegt en ook nauwelijks één millimeter lang is. En toch groeit uit dat pietluttige dingetje een eenjarige struik met takken als van een boom, en met een hoogte die tot drie meter kan gaan. Ook de andere gelijkenis, die met de gist, wijst op het kleine begin en het grote resultaat. De vrouw verwerkt een beetje gist in drie maten bloem, dat is dus ongeveer 40 liter. Genoeg voor 50 kg brood en eten voor meer dan 150 mensen.
Zusters en broeders, het Rijk Gods, het Rijk de hemelen, komt niet ineens tot stand door opzienbarende goddelijke ingrepen waartegen niemand iets kan inbrengen. Evenmin komt het tot stand door schrikwekkende tekenen van Gods almacht. Nee, het groeit zoals een graankorrel of een mosterdzaadje of zoals gist in deeg: in het verborgene, het kleine, het onaanzienlijke. Niet ergens ver weg, niet in het hiernamaals, maar in ons leven van elke dag, in onze gewone, bekende, alledaagse omgeving, in de wereld waarin we nú leven. Dat is wat Jezus ons vandaag in deze parabels vertelt. Dat we niet moeten wanhopen, maar hopen en geloven, en mee zaaien en mee groeien.
Maar de parabel over het onkruid in de tarwe leert ons ook iets anders, namelijk dat we niet te snel moeten zijn in ons oordeel. Of beter gezegd: dat we niet moeten oordelen, en nog minder veroordelen. Tegen zijn knechten die er met de grove borstel door willen gaan, zegt de meester dat ze moeten wachten. ‘Laat ze maar samen opgroeien,’ zegt hij, ‘tarwe en onkruid. Wie weet wat je al niet aanricht als je nu het onkruid van de tarwe gaat scheiden. Wie weet hoeveel tarwe je gaat uitrukken omdat je denkt dat het onkruid is. Laat beide dus maar gedijen, bij de oogst zien we wel wat tarwe en wat onkruid is. Tijdens de groei kun je dat dikwijls helemaal niet zien.’
Zusters en broeders, ik denk dat we er ons voor moeten hoeden mensen in te delen in goeden en slechten. Waarbij wijzelf natuurlijk tot de goeden horen. Ik zal nooit vergeten hoe mijn moeder altijd reageerde wanneer we negatief over iemand spraken. ‘Ga maar voor de spiegel staan,’ zei ze, ‘leg uw hand op uw hoofd en kijk wie eronder staat.’ Dat was haar versie van de splinter en de balk en van de tarwe en het onkruid. Niemand van ons heeft er ooit iets weten tegenin te brengen. Gedaan dus met kwaadspreken, kort en goed.
‘Laat het oordeel maar over aan God’, horen we in de eerste lezing. ‘Hij bestuurt ons met goedertierenheid en zijn oordeel spreekt Hij met veel zachtheid uit.’ Laten we dat doen, zusters en broeders, het oordeel aan God overlaten. Hij is veel beter geplaatst dan wij, en zijn Rijk der hemelen zal Hij niet laten verloren gaan. Amen.

Zoeken in Preken Online