Beste dorpsgenoten,
In de eerste lezing uit het boek der Wijsheid werd ik getroffen door de bijzondere woorden zachtheid en goedertierenheid: “Omdat Gij over allen heerst, behandelt Gij allen ook met zachtheid,” en: “Met veel zachtheid spreekt Gij uw oordeel uit en Gij bestuurt ons met goedertierenheid.”
En in het evangelie horen we over het mosterdzaadje, het kleinste dat er is, dat uitgroeit tot een boom waarin vogels kunnen nestelen en over gist dat meel doet rijzen.
Die kostbare woorden en het feit dat zo iets kleins tot iets groots kan worden deden me denken aan een boek dat ik deze dagen gelezen heb: Het leven als kunstwerk van de schrijver Joep Dohmen.
Leven, het leven van een mens, iets als een mosterdzaadje, het kleinste dat er is, dat kan uitgroeien tot een kunstwerk waar we graag naar kijken of luisteren, zoals ik graag woorden hoor als zachtheid en goedertierenheid.
Toch is het ook een onverwachte titel: want leven dat doe je juist nù, terwijl een kunstwerk, schilderstuk, beeld, stuk muziek of tekst, juist al tot het verleden behoort. Dat heeft geen leven meer, bij wijze van spreken!
Iets dergelijks is het geval als wij het verleden ervaren als een tijd van geluk, toen leven nog een goed leven was. Maar pas op: toen we dat verleden meemaakten, waren we er ons niet van bewust dat het zo goed was. En pas nu we er op terugkijken, missen we het.
Als we daarentegen in de tegenwoordige tijd overvallen worden door iets als geluksgevoel, dan gaat het ongemerkt aan ons voorbij. Zo intens zijn we bezig met wat we allemaal nog willen of nog tot stand moeten brengen. Dan merken we het niet als we gelukkig zijn. En kunnen we er niet van genieten.
De Deense filosoof schrijft daarover: “Ze leven naar hun einde toe, maar niet zo dat hun levensinhoud zich langzaam ontvouwt en in die ontvouwing hun eigendom wordt. Ze leven als het ware uit zich zelf weg, ze verdwijnen als schimmen wier onsterfelijke ziel verwaait. En geen enkele vraag naar hun onsterfelijkheid jaagt hun angst aan. Want voordat ze sterven, zijn ze al vervloeid in het niets.”
Op dit punt gekomen moest ik denken aan vlinders, overal rond om ons heen in de zomer.
Een vlinder met zijn prachtige kleuren die zo gemakkelijk door de lucht fladdert, zou je “een leven als kunstwerk” kunnen noemen. Als hij uit zijn cocon kruipt, en voor het eerst zijn vleugels ontvouwt, zijn ze als zo mooi. Dàt is het geluk van de vlinder: zijn schoonheid en dat is hem gegeven. Hij heeft er niets voor gedaan.
Zo zouden wij ook gelukkig willen zijn maar het is heel moeilijk om te worden wie je bent. En in dat opzicht kunnen we iets leren van de mooie vlinder.
Het is niet het harde werk van zelfverwerkelijking dat ons gelukkig maakt en ons laat worden wie we ten diepste zijn. We maken momenten mee waarop we ons zelf als een vlinder kunnen ontvouwen op voorwaarde dat we onze schoonheid ontdekken en de tijd nemen om te fladderen en daarvan te genieten. En ook: dat we bij elkaar dat ontvouwen ontdekken en bewonderen.
Zo is het ook bij het kleinste zaadje: het zit er in, het is gegeven dat het die grote struik zal worden waarin de vogels hun nesten bouwen.
We zijn iets moois, als een vlinder in de zomer. Als we daar oog voor krijgen, laten we telkens opnieuw gebeuren wat we lezen in het scheppingsverhaal: “God bezag alles wat Hij gemaakt had en Hij zag dat het heel goed was. Het werd avond en het werd morgen: dat was de zesde dag. Zo werden hemel en aarde voltooid en alles waarmee ze toegerust zijn. Op de zevende dag bracht God het werk dat Hij verricht had tot voltooiing. Hij ruste op de zevende dag van het werk dat Hij verricht had. God zegende de zevende dag en maakte hem heilig want op die dag rustte God van al het werk dat Hij scheppend tot stand had gebracht.”
Dan zegenen wij God met onze schoonheid en ons geluk en zo zijn we samen blij.