De opvattingen over wat goed is en wat verkeerd zijn in de verschillende godsdiensten en levensbeschouwingen niet hetzelfde, vooral als het om bijzondere gevallen gaat. Toch zijn de overeenkomsten over wat in ons dagelijks leven door de beugel kan en wat niet in het algemeen zo groot dat we het heel goed met elkaar kunnen uithouden. Onze beoordeling van mensen, of ze goed of slecht zijn is nog een heel stuk moeilijker ook al omdat er niet eentje helemaal goed of helemaal slecht is. Desondanks wordt de politieke wereldkaart per dag verdeeld in plekken waar de goeden en waar de verkeerden zitten en zo ontstaan er heilige oorlogen. Dat stelt ons voor de vraag: “Wie is er in staat een waardevol oordeel te vellen”.
Iemand die in dienst is bij een bedrijf moet je niet om een oordeel vragen over zijn collega’s, over zijn werkgever, over het bedrijf of de organisatie waarvoor hij of zij werkt. Eerstens is het geven van een oordeel in zo’n situaties niet netjes. Het is echter ook gevaarlijk; te veel praatjes kunnen de arbeidsverhoudingen verstoren. Het kan je zelfs de kop kosten. Je moet geen oordeel geven in zo’n situatie. Je kunt niet onafhankelijk zijn en dus is het oordeel al bij voorbaat ingekleurd. We zouden een gepensioneerde kunnen vragen naar een oordeel. Als er niet te veel veranderd is, kent een gepensioneerde nog de bedrijfsverhoudingen. Als dat nodig is, zou hij of zij wel een onafhankelijk oordeel kunnen geven. Wat hem of haar betreft is iedereen gelijk, de man met de blauwe overal, de juffrouw in het wit of de bazen in pak of mantelpak. Pas als je helemaal los bent van eigen bedrijf, van eigen voordeel, van eigen familie, van vrienden en kennissen, zou je een onafhankelijk oordeel kunnen vellen. “De wijsheid van de ouderdom” zou je kunnen zeggen. Maar ook de gepensioneerde is beïnvloed door zeer persoonlijke ervaringen. Wie is er in staat om helemaal los te zijn van wat er over anderen wordt gezegd en geschreven? Waarschijnlijk niemand. Vraag mannen eens over vrouwen, zwarten over blanken, Islamieten over christenen of omgekeerd. Het oordeel is ongewild ingekleurd door wat men heeft gelezen of meegemaakt.
Het is nu eenmaal niet anders dan dat goede en kwaden door elkaar lopen; we weten niet eens zo zeker of we zelf wel altijd bij de goeden horen. Goed en kwaad, de goeden en de kwaden staan samen op dezelfde bodem, onze aarde, onze samenleving en de beoordeling is zo moeilijk , zelfs zo onmogelijk dat het risico er voortdurend is dat ze in het verkeerde vakje worden gesorteerd. Dat verdienen de goeden niet en de kwaden, nou ja die komen voor even goed weg. Wij zouden het anders doen, zoals die knechten in het evangelie: Ze vroegen hem: “Zullen we het onkruid er dan maar uit gaan halen?” Maar Jezus zei: “Nee, want als jullie het onkruid eruit halen, trek je tegelijk de tarwe eruit.
Laat ze samen opgroeien tot de oogst, en in de oogsttijd zal ik tegen de maaiers zeggen: Haal eerst het onkruid bijeen en bind het in bussels om het te verbranden, maar verzamel de tarwe in mijn schuur.”’
De evangelist heeft vandaag het recht tot oordelen niet aan gepensioneerden of een internationaal gerechtshof toegekend. Hij laat het over aan God zelf. Dat betekent uitstel, maar geen afstel, want uiteindelijk ontkomt dan niemand aan een rechtvaardig oordeel. Dit is toch een bijzonder vredelievend advies dat het leven een stuk gemakkelijker maakt. Niemand veroordeeld, we kunnen verder met elkaar zo goed en zo kwaad als het kan, goeden en kwaden bijeen; het kan niet anders.
Terwijl we dit vernemen komt er in ons binnenste van alles op om hier op af te dingen, want we zijn geneigd en gewend om die of die met de nek aan te kijken, uit te bannen, geen vriendelijk woord te gunnen omdat we ons sorteervak in stand willen houden voor de duidelijkheid.
Het is uitgerekend Jezus zelf, Hij die zelfs door velen die Hem erkennen wordt gebruikt mensen te sorteren, die zegt : “doet dat niet”. De oneindig Rechtvaardige zal dat wel doen.
Goeden en kwaden (2008)
A-cyclus · Tijd door het jaar · 16e zondag · groen