Als ik vroeger naar spannende films over het wilde westen van Amerika keek, was het patroon vaak hetzelfde. Er waren de goede mensen en er waren de slechteriken. Het kostte meestal geen moeite om vast te stellen wie de goeden waren en wie de slechten: aan het gemene lachje op het gezicht van een slechterik, kon je van afstand al zien, dat die niet
veel goeds in de zin had. En omgekeerd precies hetzelfde: het zielige verhaal van de goede partij sprak boekdelen.
Ook bij kinderverhalen als de smurfen is het verschil tussen goed en kwaad ook vereenvoudigd: het kwaad wordt samengebald in één figuur: Gargamel.
De wereld is in het beeld van die films wel heel eenvoudig. Je hebt goede en kwade mensen. Ertussen in bestaat niet - tenminste niet in dat soort simpele films.
Maar de dagelijkse praktijk, de harde realiteit van onze levens is vaak zo eenvoudig niet. Want in de werkelijkheid loopt het goede en het kwade dwars door mensen en gemeenschappen heen. Er bestaan geen mensen die helemaal goed zijn en die nooit fouten maken. We kunnen niet alles 100% perfect doen. Het is niet voor niets dat we onze vieringen elke week beginnen met een schuldbelijdenis, in het besef dat we altijd tekortschieten. Ook mensen die in onze ogen “door en door” goed zijn.
En dezelfde redenering geldt omgekeerd voor de mensen die we slecht noemen. Zij doen misschien wel veel kwaad, maar zit er ook niet een goede kant in die mensen? Zelfs de grootste misdadiger kan een klein hart hebben en geraakt worden - wanneer wij zo’n goede kant maar weten te vinden. Al is dat door dikke lagen van teleurstelling en verbittering heen soms erg moeilijk. Om maar niet te spreken door de pijn die een misdadiger in het leven van andere mensen aangericht kan zijn. Desondanks geloof ik toch dat er altijd nog iets goeds in elke mens zit.
En zo is het ook in het evangelie van vandaag. We horen over een zaaier die goed zaad zaait. Maar er komt onkruid tussen: heel gewoon, ieder die een tuin heeft weet, dat als hij zaait er naast de gezaaide planten ook allerlei onkruid opschiet. Maar in een tuin lukt het wieden meestal wel en kan onkruid gescheiden worden van de goede planten. Al moet ik bekennen dat ik wel eens de goede planten voor onkruid heb aangezien en omgekeerd!
Maar in een graanakker is het bijna onmogelijk om onkruid en graan te scheiden zonder het graan te beschadigen. Het graan en het onkruid groeien zo dicht bij elkaar, dat de wortels door elkaar heen lopen. En als je het onkruid uittrekt, trek je meteen het graan mee.
Dus wanneer de knechten voorstellen om het onkruid te verzamelen antwoord de heer dat maar niet te doen. Het goede graan zou ook mee uitgetrokken worden en verloren gaan. Goed en kwaad groeien samen verder op. Maar bij de oogst worden ze gescheiden.
Niets van het goede mag verloren gaan, al het goede wat er is moet als goed graan worden opgeslagen in de schuur en zal zo een jaar lang de mensen kunnen voeden met brood: brood dat leven geeft.
Dat het onkruid mee opgroeit, neemt de heer op de koop toe. En dat het kwade de groei van het goede graan hindert is niet te vermijden. Maar niets van het goede graan mag verloren gaan.
Dat goed en kwaad samen voorkomen ervaren wij ook in ons leven. Soms is het kwade zo sterk verweven met het goede, dat we die twee niet uit elkaar kunnen houden. Zoals onkruid op goede planten kan lijken. We moeten soms kiezen uit twee kwaden: de keuze voor de ene medemens kan door de ander als kwaad gezien worden. Maar doen we het andersom, is het
effect uiteindelijk hetzelfde: Je kunt het dan nooit iedereen naar de zin maken.
De Heer in dit verhaal weet dat. God weet dat ook.
Dat hoorden we in de eerste lezing van Paulus uit zijn brief aan de Romeinen. “De schepping lijdt als een vrouw in barensnood” lazen we. Een zware tekst. Maar voor veel mensen toch bittere realiteit. Het leven is lang niet altijd gemakkelijk.
Toch gebruikt Paulus denk ik niet voor niets dit beeld van een vrouw in barensnood. Al ken ik als man die pijn niet uit ervaring, weet ik wel dat een bevalling heel pijnlijk is. Maar ook dat een gelukkige moeder die pijn in haar geluk met haar kind snel vergeet.
Als we lijden, is er toch hoop, daar gelooft Paulus heilig in. Hoop op een toekomst waarin het goede overwint. Paulus is er van overtuigd, dat het lijden in deze wereld ruimschoots wordt goedgemaakt door de luister, de glorie, de heerlijkheid die ons bij God in de toekomst te wachten staat.
Dat kan een troost zijn als we het moeilijk hebben. Alles zal zich ten goede keren.
Maar Paulus beseft ook dat dit geen gemakkelijk antwoord is aan mensen die lijden, aan mensen die ziek zijn van pijn of slachtoffer van oorlogsgeweld. Maar Paulus kan het zeggen, want hij heeft zelf de nodige ellende meegemaakt in zijn leven.
Wanneer wij die pijn in ons eigen leven of dat van mensen die ons dierbaar zijn ervaren, kan dat geloof van Paulus ons helpen.
Wanneer wij diep moeten zuchten om het met de pijn uit te houden, horen we vandaag dat de Geest van God met ons meezucht.
God kent onze nood, zijn Geest bidt voor ons in onze ellende, in onze zwakheid. Wij mogen weten dat God aan de kant staat van mensen die lijden.
Dat wij dat mogen ervaren in moeilijke tijden. En dat wij ook zo naast mensen kunnen staan die gebukt gaan onder lijden. Dat wij mogen delen in het geloof van Paulus op een betere wereld.