Je mag vele boeken hebben geschreven of gelezen over het bidden, uiteindelijk moet ieder mens toegeven, dat hij het niet kan. Ook na jaren oefening en praktijk. Onze woorden zijn te broos of te mooi, maar vooral: ze zijn te zeer van ons. Ze zijn te zeer bedoeld om de hemel te overtuigen. Ze zijn te zeer opstel en ze klinken te goed. Zo deed een zekere Farizeeër het ons voor. Matteüs vertelt dat. Die man zegde het beste wat een mens zeggen kan als hij vóór God gaat staan. En toch was het niet goed omdat het te goed was!
Er is iets van pronkerige leugen in ons bidden als wij menen te weten wat God graag hoort. Bidden is net andersom. Het is ongeriefd zijn van woorden. Het is met geduld verwijlen, de ogen sluiten, het hart openen en luisteren naar de stem van de stilte. Want God alleen weet waar het om gaat. Hij alleen weet wat er ter sprake moet komen. Maar wij, mensen, willen Hem altijd vóór zijn! Wij weten altijd hoe wij Hem moeten en willen dienen Wij weten zelfs wat Hij ons vraagt. Zodoende horen we echter Zijn vraag niet. Zodoende moet Hij ons bedienen â la carte. Ook al zijn we heel goedgeefs en gul in onze beloften. Ook al zijn we zeer nederig in het belijden van onze schuld. Het is allemaal, hoe dan ook, teveel mensenwerk.
Paulus spreekt daar anders over. Hij zegt: wij weten niet hoe wij behoren te bidden. Wij zullen noodgedwongen altijd het onze zeggen. En zo gaan wij lijken op de mens die steeds uitademt zonder de inademing te verzorgen. Hoe heet dat tegenwoordig ook al weer: hyperventilatie of zoiets? Wij blijven steeds zeggen, dat wij de goede woorden niet hebben of dat wij ze niet goed uitspreken. Dus zoeken of maken we betere woorden en we zetten ze op steeds mooiere muziek. Maar de melodie is steeds van ons en dus letterlijk eender van toon, één-tonig.
Bidden is van een andere orde. Het is luisteren naar een opstel dat al lang opgesteld is en dat nu in ons wordt uitgesproken. Het is God aan het woord laten. Hij heeft altijd iets te zeggen.
Daarvoor is er maar één ding noodzakelijk. Iets van niemendal: zwijgen, de antenne afstemmen en attent luisteren. Dat is alles. Meer is er niet nodig.
Maar dat is nu precies het allermoeilijkste wat er bestaat. Wij zijn geboren praters en kletsers. Eventueel zijn we zelfs vurige redenaars. Ook als we vóór God gaan staan. Alsof Hij nog overtuigd moet worden. Alsof Hij het leven niet kent. Alsof Hij zo veraf is, dat wij Hem nabij moeten roepen. Wat beelden wij ons toch in!
Waarom valt het ons toch zo moeilijk om bij God in het zonnetje te zitten, om met dichte ogen verder te kijken dan onze neus lang is? Waarom valt het ons toch zo moeilijk om voor één keer eens niet te luisteren naar onszelf en naar onze vermoeiende monologen?
Wat zou het eenvoudig zijn als we eenvoudig konden worden! En daar wringt het schoentje: wij zijn te in gewikkeld, te gehaast en vooral te bang!!! Want als Gods Geest ons raken mag, zijn we onszelf kwijt en gaan we een weg die nog nooit werd begaan. En we zijn zo conservatief van binnen. Het is de angst voor verandering die ons zwijgen of praten doet. Het is de angst voor verandering die ons de stilte vol doet praten.
Mocht God ons toch maar eens zeggen wat Hij ons zeggen wil. Hij zou ons niets wijsmaken, ons niet bedriegen. Hij zou ons de waarheid leren als de ziele luistert.
Misschien bidden zwijgende mensen meer dan ze weten? Misschien bidden biddende mensen minder dan ze beseffen? Misschien zijn wij te welsprekend voor God die dan zogezegd nooit antwoord geeft en zwijgt. Misschien hebben we alles te leren van het zwijgen vóór de wel-sprekende Geest.