“Ik ben bang dat ge, wanneer ge het onkruid bijeengaart, de tarwe mee uittrekt.”
Zusters en broeders, wellicht is dit de centrale gedachte uit deze nieuwe parabel over een zaaier, na die van vorige week. Een parabel waarin de zaaier zijn ongedurige knechten afremt wanneer die resoluut het onkruid van de tarwe willen scheiden. We hebben tijd genoeg, zegt Hij, wacht maar tot aan de oogst. Voor de boeren en tuinders onder ons is dat beslist een merkwaardige redenering. De boeren spuiten het onkruid op hun velden ongenadig dood, en wie een tuin bezit, maakt al evenzeer korte metten met wat hij niet gezaaid heeft. En wat zegt God? Rustig maar. Wie weet wat voor goeds er niet uit dat zogenaamde onkruid groeit.
Zusters en broeders, toen mijn vrouw en ik een paar maanden geleden onze zomerbloemen aankochten, wees de tuinder ons op iets nieuws. Het zag er zo ellendig uit, dat ge het zelfs nog geen onkruid had willen noemen. Maar ge weet hoe dat gaat: om de man niet te ontgoochelen, namen we toch maar een paar plantjes mee, en daar hebben we al heel veel spijt over gehad. Niet omdàt we ze meegenomen hadden, wel omdat we er niet mèèr meegenomen hadden. Want de bloemenpracht die uit die schreeuwlelijke dingetjes gegroeid is, is bij ons nog niet te zien geweest.
Rustig maar, zegt de Heer van de oogst. Wie weet welke goede talenten er niet schuilen in hen die we zo dikwijls als lelijke plantjes beschouwen: die onhandelbare jongere, die onuitstaanbare buur, die punker met zijn ringen en tatoeages. Wie weet welk geloof er niet opbloeit uit die zogenaamd ongelovige en onkerkelijke jongeren, uit die straatboefjes in de grote steden, uit die verloren generatie van hooligans en druggebruikers. Wie weet hoeveel goedheid en naastenliefde er niet leeft in al diegenen die wij probleemloos als onkruid bestempelen, als niet goed, omdat ze anders zijn dan wij, anders denken dan wij, anders gekleed gaan dan wij, een andere huidskleur hebben dan wij. Rustig maar, zegt de Heer van de oogst. Wees maar niet te resoluut met dat uitrukken van het onkruid, want misschien is het wel geen onkruid. Of misschien kent ge het verschil niet tussen kruid en onkruid. Misschien ziet ge dat zogenaamde onkruid helemaal vanuit uw eigen overtuigingen en opvattingen.
Zusters en broeders, moeten wij ons inderdaad niet afvragen of we niet veel te veel denken en leven in duidelijk afgescheiden categorieën van goed en kwaad, vriend en vijand, gelijk en ongelijk, wit en zwart, waarbij wijzelf natuurlijk aan de goede kant staan? Wordt ons oordeel niet dikwijls gekleurd door ‘ik/wij en de anderen’, waarbij we gemakshalve al die anderen maar op één hoop gooien: homo’s en aidspatiënten, ministers en vreemdelingen, allemaal in dezelfde pot als moordenaars, kinderverkrachters, geweldenaars en machtsmisbruikers? Rustig maar, zegt de Heer van de oogst, zo duidelijk zijn de lijnen tussen onkruid en tarwe niet te trekken. Dus schept het uitrukken van het onkruid dikwijls meer kwaad dan het onkruid zelf. En zoals het onkruid ongevraagd tussen de tarwe groeit, zo groeien goed en kwaad ook samen op. Het is dus zinloos ze uiteen te willen rukken, want met het kwade tast ge ook het goede aan. Word dus maar niet fanatiek in dat scheiden van goed en kwaad, want dan belandt ge automatisch in fanatisme en fundamentalisme. En waartoe dat leidt werd deze eeuw al meer dan genoeg aangetoond: nazisme en communisme trokken de scherpst mogelijke scheidingslijnen tussen wat zij als goed en als kwaad beschouwden, met honderden miljoenen doden en onnoemelijk veel leed als gevolg. Maar ook vandaag worden die lijnen heel overtuigd verder getrokken, bijvoorbeeld tussen Palestijnen en Israëli’s, tussen Hutu’s en Tutsi’s, tussen moslims en niet-moslims, tussen blank en zwart, rijk en arm, gelovig en ongelovig. Waarbij er ongenadig over en weer wordt gescholden, geschoten en veroordeeld, want iedereen leeft natuurlijk aan de goede kant.
Rustig maar, zegt de goddelijke Zaaier. Laat het oordeel maar over aan de Heer van de oogst. En wees er maar zeker van dat zijn oordeel verbazend veel van dat van ons zal afwijken. Jezus heeft ons dat zijn hele leven aangetoond. Want tegen de tarwe van rechtlijnigheid en farizeïsme in ging hij om met het onkruid van tollenaars, zondaars, Samaritanen, melaatsen, bedelaars, vreemdelingen en uitgestotenen. En tegen de moordenaar aan zijn zijde die nog maar het minste teken van inkeer had gegeven zei Hij: Vandaag nog zult ge met Mij zijn in het Paradijs.
Hoe zouden wij, met dàt woord in ons achterhoofd, nog ooit iemand als onkruid durven bestempelen. Amen.