De parabelrede is in Matteüs Jezus’ derde grote rede. Hij onderricht nu omstandig de menigte, die er niet veel van begrijpt, terwijl de leerlingen uitleg krijgen.
Drie zondagen zullen we de gelijkenissen horen. Wat bedoelt Jezus met zijn gelijkenissen? Waarom spreekt Hij geen duidelijke taal? Waarom krijgen alleen de leerlingen uitleg? Het is goed bij het begin van de parabelzondagen hierop een antwoord te geven.
Het lijkt moeilijker de mensen te begrijpen die de parabels horen dan de parabels zelf. Waarom luisteren niet allen die twee oren hebben? Het is daarover dat Jezus’ eigen uitleg gaat. Wie Hem volgt, krijgt steeds meer, begrijpt steeds beter waar het om gaat. Voor wie Hem niet volgt, voor wie hoort maar niet luistert, wordt het steeds moeilijker zijn leer te begrijpen. Kinderen die goed volgen op school gaan steeds meer vooruit naarmate het jaar vordert. Kinderen die er hun broek aan vegen geraken steeds verderop. Een oplettende zakenman heeft steeds meer succes, maar wie zijn zaken niet met ijver behartigt, geraakt door slordigheid en luiheid aan de grond, tot de eerste alles heeft en de laatste niets. “Aan wie heeft, zal gegeven worden, en wel in overvloed, maar wie niet heeft, hem zal nog ontnomen worden, zelfs wat hij heeft”. Het is een eenvoudige en harde levenswet. Zij geldt ook voor het leven in de Kerk, het Rijk der hemelen, dat Jezus komt vestigen.
Wanneer Jezus zijn parabels uitspreekt heeft Hij de menigten met hun leiders al herhaaldelijk hun traagheid verweten. Het is niet de eerste keer dat we dit in de zondagsevangelies horen. Het is ook niet de eerste keer dat Jezus zich op Israëls grootste profeet beroept om zijn optreden te verduidelijken. Ook vandaag grijpt Hij naar Jesaja om zijn parabels te rechtvaardigen: in hen wordt de profetie van Jesaja vervuld.
“Als Ik tot hen spreek in gelijkenissen, is het omdat zij, ofschoon zij ogen hebben, niet zien en ofschoon zij oren hebben, niet horen of begrijpen”. Ook met de leerlingen verloor Jezus soms zijn geduld. Maar hun onbegrip kwam niet voort uit onwil. Anders is het met de menigten, over wie Jesaja voorspeld heeft: “Met uw oren zult gij luisteren en toch niet verstaan, met uw ogen zult gij kijken en toch niet zien. Want verhard is het hart van dit volk, met hun oren luisteren ze slecht en hun ogen doen zij dicht, uit vrees dat zij zouden zien met hun ogen, met hun oren zouden horen, met hun hart zouden verstaan, zich zouden bekeren en Ik hen zou genezen
Duidelijker kan het niet. Dezelfde traagheid tegen Jezus’ leer kent iedere generatie. In iedere generatie zijn er die hebben en aan wie nog meer gegeven wordt. Anderen hebben niet en hun wordt nog ontnomen zelfs het weinige dat ze hebben. Iedere parochie heeft zijn mensen die “de geheimen van het Rijk der hemelen” kennen, net zoals de leerlingen van Jezus’ school, net zoals allen die Jezus gevolgd hebben, doorheen heel de geschiedenis van zijn Rijk. Anderen schuiven steeds verder weg uit de kring, naar de rand van de gemeenschap, weg uit de plaats van bijeenkomst waar Jezus door zijn leerlingen spreekt, weg uit de kerk, uit de Kerk waar Hij zetelt. Ze horen nog iets van verre, ze lezen iets in een krant, maar de duidelijke en zingende leer wordt stilaan één, voor hen wazige, parabel, tot het Evangelie zelf een vertelsel en uiteindelijk een verzinsel wordt. Nochtans waren ook hun ogen en hun oren gelukkig, toen ze thuis en in de Kerk zagen en hoorden wat “vele profeten en rechtvaardigen” van vóór Jezus verlangd hadden te zien en te horen.
Laten we het evangelie goed begrijpen, het naar waarde schatten en doen opbrengen, niet leven bij het ogenblik maar in volharding, weerstand bieden bij onderdrukking of vervolging. Laten de zorgen en de rijkdom ons niet verstikken. Laten we vrucht dragen, dertig, zestig honderd maal.