“In de bus naar Amsterdam-Noord zat ik onlangs tegenover twee oude mensen, man en vrouw, die met een volmaakte argeloosheid tegen elkaar leunden, en om de vijf minuten een enkel zinnetje fluisterden. Zalig maar heel bescheiden. Het schouwspel, bijna een half uur durend, riep in mij een golf van ontroering, haast van erotische aandoening op. Ik stiet wat al te vrij een jongen aan die naast mij zat, een bewoner van de Zilverberg (een studentenflat - pv). Hij begreep niet waarom, (hij) studeerde waarschijnlijk psychologie.”
Een observatie, woorden, niet van mijzelf, dierbare gasten en parochianen van deze Rozenkranskerk, máár van onze geliefde pater Jan van Kilsdonk S.J. die in de nacht van maandag 30 juni op dinsdag 1 juli hier te Amsterdam in huize Bernardus aan de Marnixstraat in de leeftijd van éénennegentig jaar overleed. “Dank U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat U het hebt onthuld aan eenvoudigen.” Die twee oude mensen in de bus naar Amsterdam-Noord, door pater van Kilsdonk geobserveerd: Zij hádden het, zij wisten het, in zijn ogen. De jongen die naast hem zat, misschien wel heel slim, die misschien een hele belangrijke studie doet en die op weg is om misschien heel geleerd te worden; toch ziet en weet en heeft die jongen het níet, nóg niet in elk geval. Hij zag niet wat de pater zag: dat wonder van die twee oude mensen die tegenover hen zitten. Als de pater hem aanstoot, dan begrijpt hij, de student, niet wat hij, de pater, bedoelt: “Gij hebt het verborgen voor wijzen en verstandigen.”
In de eerste lezing van deze zondag hoorden we hoe de profeet Zacharia een profiel schetst van een koning die komen zal van godswege: Hij is rechtvaardig, zegevierend en vooral néderig. Hij rijdt op een ezel. Hij reist met de bus zeg maar, of gaat te voet of op de fiets. We horen: “Ik vaag de strijdwagens wég en de paarden. En de strijdbogen worden gebroken.” De jongens en de meisjes die hóóg te paard gaan, die reizen in snelle auto’s en die gewapend zijn met lap-tops en met alle comfort van het moderne leven, zo vertaal ik het maar even gemakzuchtig; díe zullen daarmee en op die manier niet winnen. Want daarin zit het niet, het geheim en het mooie van het leven op aarde.
Waarin zit “het” dan wél veelgeliefden? Wát is er verborgen? En wát moet er onthuld worden? Waarvóór moeten onze ogen opengaan? In de evangelietekst spreekt Jezus daarover. Hij heeft het over “het kennen van de Vader en van de Zoon”. “Niemand kent de Zoon, behalve de Vader. En niemand kent de Vader, behalve de Zoon, en ieder aan wie de Zoon Hem heeft willen onthullen.” Jezus spreekt hier over het geheim en over de vreugde van Zijn eigen leven: dat staat ópen naar God, dat is een open kanaal voor God en naar God toe. Jezus ziet in en achter alles, in de bloemen en de bomen, in de zon én in de mensen in de bus; daarin ziet Hij God, zo denk ik; God die Hij “Vader” noemt. En Hij nodigt ons uít om in die beleving van Hem te delen. Jezus voelt zich veilig, Hij voelt zich geborgen in God. Niets en niemand kan daartussen komen. En daardoor ervaart Hij in het diepst van Zijn wezen grote rust en totale ontspanning denk ik. Hij heeft geen last van allerlei dingen die zo nodig moeten, met alle stress en hijgerigheid van dien. Die ervaring, veelgeliefden, wil Hij ons óók geven. Die gunt Hij ons óók: “Kom allen naar mij toe die afgemat en belast zijn, en ik zal u rust geven. Neem mijn juk op en kom bij Mij in de leer, omdat ik zachtmoedig ben en eenvoudig van hart, en u zult rust vinden voor uw ziel. Want mijn juk is zacht en mijn last is licht.” Gouden regels, mensen, gouden regels.
Dat openstaan voor God, dat open kanaal voor God - daar doorheen kan de Geest stromen: de Geest van God, de Geest van Christus. Eén en Dezelfde Geest is dat. Zó hoorden we dat Paulus ons schreef in zijn grote brief aan de christenen van Rome. In die Geest mogen wij “wonen”. Die Geest is in ons. Christus is in ons. En dan mag het zijn dat we nog last hebben van het lichaam, van alles waar dat lichaam om kan schreeuwen. Dan kan het zijn dat we nog last hebben van allerlei vormen van zonde. Ja, die kunnen ons “aankleven” zoals we dat zo mooi plastisch, beelden kunnen zeggen. Zonde kan grote kleefkracht hebben. Daarvan getuigt in Paulus’ visie het feit dat wij allen moeten sterven. In Paulus’ visie is dat een symbool van de hardnekkigheid van de zonde. Maar, zo vervolgt Paulus: “als de Geest van Hem die Jezus heeft opgewekt uit de doden in u woont, zal Hij, die Christus uit de doden heeft laten opstaan, ook uw sterfelijk lichaam levend maken door de kracht van de Geest, die in u woont.” Als het goed zijn wij dus méér dan lichaam. Dan zijn wij méér dan wat je kunt zien en horen, ruiken en voelen en vastpakken - mét alle mogelijkheden om ook te “zondigen” die daarmee gegeven zijn. Als het goed is, dan zijn echter nog meer. Dan is er ook die Geest van God, de Geest van Christus in ons die sterker is, sterker zelfs dan de dood.
Ooit vroeg men in een interview aan pater van Kilsdonk wat hij dacht over het hiernamaals en over de opstanding van de doden. En zijn antwoord was: “In de evangelies wordt alleen in beeldtaal gesproken. Ook de verrijzenisverhalen, de verhalen over het geopende maar leegblijkende graf, zijn beeldtaal. De oudjoodse taal over het hiernamaals was trouwens uiterst bescheiden, niets dan licht en rust. Dat zingen ook wij nog bij een uitvaart: In paradisum deducant te angeli - de engelen mogen je begeleiden naar het paradijs. En de laatste zin luidt: en met de arme Lazarus moge je hebben eeuwige rust. Meer weten wij niet. Wat zou trouwens een lichaam zijn zonder ziel of een ziel zonder lichaam? Ieder wijsgerig aangelegd persoon zal zeggen: meneer, mevrouw, wat bedoelt u? Wat ons is beloofd, is eeuwige rust en licht. In paradisum. En mét de uitgemergelde Lazarus. Zonder hem is er geen rust en licht. God neemt niemand tot zich zonder de arme aan zijn zijde. Ik ben daarmee tevreden”, zegt pater van Kilsdonk en, zo vervolgt hij; en “dan kan de cynische toehoorder (“de wijze”, “de verstandige” - om met het evangelie van vandaag te spreken); die kán dan zeggen: hij weet niet beter. Ik weet ook niet beter. Maar ík heb vertrouwen dat het “in paradisum” waarheid is. Kun je dat bewijzen? Nee, wat de evangelies zeggen over het lege graf, wat wij zingen over in paradisum, is poëzie. Geloof is nooit uit te drukken zonder poëzie. Geloof is nooit uit te drukken zonder poëzie. Maar het is poëzie, waarbij ik mij met mijn verstand toch een beetje thuis voel.”
Tot zover pater van Kilsdonk. Tot zover de grote, kleine, hartstochtelijke Jan die vele jaren “onder deze parochie hoorde” zoals dat heet. Moge zijn nagedachtenis hem tot zegen zijn. En mogen de vele woorden die ook hij ons heeft nagelaten, woorden gesproken en nagelaten in het kielzog van Jezus; mogen ook zijn woorden ons blijven begeleiden en inspireren. Mogen ze ons blijven helpen bij het vinden van de goede weg, bij de weg die ons brengt tot Jezus’ rust, tot Zijn vertrouwen, Zijn licht en Zijn leven - de dood voorbij. Amen.