Ooit heb ik ergens gelezen, dat Jezus hier zingt in deze verzen. Ik zou dat vandaag nog onderschrijven. Toch is er nog iets anders wat mij boeit. Er zit, me dunkt, een tikje ironie in deze woorden, in dit lied. Wie is in het verhaal de wijze en wie is het kind? En wat betekent het wijs te zijn en kind te zijn? Hoe kun je, als je Jezus heet, een kwaad woord zeggen over de wijze mens? De wijsheid is toch het hoogste in Israël? Echte wijsheid heeft toch met God te maken? Wij zouden zeggen wijsheid is toch een goddelijke deugd? Dat is allemaal waar. Ik kan me dan ook niet voorstellen, dat er uit Jezus’ mond ooit maar één kwaad woord kan komen over de wijsheid en de wijze mens.
Maar misschien verstaan we het al beter als we zien, dat het kind de tegenpool is. En vooral als we beseffen, dat het kind niet de mens is van weinig jaren, maar de mens van lage afkomst, de mens op de onderste sport van de ladder, de mens die de hele godsdienst te moeilijk vindt en er daarom van ontslagen wordt. Als hij maar de ‘bijzondere punten van het geloof’, de ‘vijf geboden van de heilige kerk’ onderhoudt. Dan is dat genoeg. Hoger kan hij toch niet vliegen.
Er zijn dus hoogvliegers en laagvliegers. En daar loopt het volgens Jezus fout. Daar is de wijze niet meer wijs. Dan is de wijze niet meer een vader voor zijn zoon, niet meer een leraar voor zijn leerling. Dan is de godsdienst iets voor de grote mensen: de kinderen moeten buiten gaan spelen als het over die serieuze dingen gaat… Zo hebben mensen van vroeger het ook meegemaakt. Bij ‘deftige’ mensen werd er dan zelfs Frans gesproken, een vreemde taal, kinderen niet toegelaten!
Dat noemt Jezus een slechte pedagogie want dan wordt de kleine uitgesloten. Dan wordt het leven een onprettig gebeuren, een zwaar juk, een ondragelijke last. En dan is de godsdienst alleen maar goed om die ondraaglijkheid en die zwaarte nog eens extra te onderstrepen. We kennen dat…
Nu zegt Jezus niet, dat het leven over de hele lijn, altijd en overal, feestelijk of vrolijk is. Hij spreekt ook van een juk. Maar als het juk goed op de schouders wordt gelegd, als de last evenwichtig wordt verdeeld, dan draag je die last met lichte stap. Dan is de wijze als een vader die zijn zoon ernstig neemt: hij mag zijn deel van de lasten dragen. Dan is de zoon niet een klein kind dat buiten moet gaan spelen als het serieus wordt. Dan worden vader en zoon deelgenoten, partners voor dezelfde zaak. Dan dragen ze niet enkel de last van de Wet. Dan dragen ze ook elkaar.
Dan is de wijze echt een wijze en wordt het kind echt mens.