Van paarden en ezels
De Bijbel is niet zo gesteld op paarden. Ezels hebben meer aantrok. De paarden trokken de strijdwagens van de verdrukkers en de overheersers, deze van de Hyksos en van de Egyptenaren (Ex. 14, 9). Pas in de tijd van koning David en Salomo krijgen paarden op een meer vreedzame wijze hun plaats in het gedachtegoed van Israël. De ezel is weliswaar niet vrij van gebreken, want koppig. Toch is hij het trouwe lastdier. De volksverbeelding plaatst hem in de kribbe, omdat hij de Messias draagt op Palmzondag.
Gedurende eeuwen kon de mens niet vlugger vooruit dan met de snelheid van een paard. De ruiter op een paard zit hoog en rijdt snel. Het boek Job heeft lof voor het paard: “het staat te trappelen van pure kracht, vurig, ontembaar trekt het ten strijde. Nerveus en driftig vliegt het vooruit”(Job 39,20-25). De ezel doet het veel trager. Je kan er op zitten, maar meestal moet je er naast lopen, want hij heeft andere lasten te dragen. De ruiter op het paard is beeld van macht, zelfs van verschrikking (Op. 6,1-8). De berijder van de ezel heeft vredevolle trekken. De koning die komen zal, hij is deemoedig en rijdt op een ezel (Zach. 9,9). Gezeten op een ezel komt de Messias, de vredevorst (Z.J. 351).
Van op een paard kijk jij uit de hoogte neer. De barmhartige Samaritaan had wellicht van op een paard de gekwetste niet zien liggen. De razende snelheid waarmee wij ons nu verplaatsen houdt in dat wij dingen en gebeurtenissen minder scherp opnemen.
Op het tempo van de liefde
Jezus trok te voet door zijn land. Hij zag de afgetobde en uitgeputte mens. Wie goed kijkt, ziet hen van dichtbij. Hun aantal neemt zelfs toe. Naast de bedelaars in de grootstad en elders zijn er de ontmoedigde en uitzichtloze mensen. Armen storen altijd. De structurele aanpak van de armoede kan er toe leiden dat wij de individuele arme niet meer willen zien. De la lutte contre la pauvrété à la chasse des pauvres.
“In deze snel evoluerende wereld voelt iedereen zich gehaast en loopt de een de ander omver. En onderweg vallen sommigen, die de kracht niet bezitten om te rennen. Zij zijn het die wij willen helpen. Ik help nooit de massa, steeds één persoon. Had ik de massa op het oog, ik zou er nooit aan beginnen. De liefde is steeds een vrucht van dit ogenblik” (Mother Teresa van Calcutta).
Zolang één mens lijdt, is er hopelijk steeds een medemens om diens klacht te horen en diens kreet te versterken opdat de mens in nood niet verder weg zou zinken. Zo is het nodig de sociale zekerheid verder te verfijnen zodat zij die haar het meest nodig hebben niet weggeduwd worden
Onder het juk van Jezus
Jezus heeft vaak uitgeputte mensen opgevangen. Daarvan getuigen de vijf werken van de Messias. De Messias verkondigt en geneest. Hij wekt op, hij reinigt en hij drijft de boze geesten uit zodat de duivelskring van het kwaad doorbroken wordt. Onze last wordt lichter, wanneer wij ons juk schikken en het aanpassen aan het zijne. Jezus zet ons minder in een stresssituatie dan veel andere systemen. Mensen komen in nood, omdat er zo een zwaar juk op hen ligt. Het juk van de druk, van de concurrentie, het juk van te moeten slagen zowel in de examens als in de vrije tijd. Je moet de eerste zijn op school, de beste in je hobby, de fijnste in de liefde; emotioneel intelligent, assertief.
Gods therapie verandert onze blikrichting. De profeten en Jezus in het bijzonder spreken over ‘bekering’. Volgens Jörg Müller, priester en psychotherapeut, formuleren een aantal patiënten hun zoektocht naar therapie als volgt: “Help mij, maar verander mij niet”. Zij vrezen immers hun gedrag te moeten wijzigen. God vraagt dat wij ons hart naar Hem wenden, dat wij er haat en wraak uit verwijderen, dat wij ons verzoenen en dat wij zijn vergeving aanvaarden.
Wanneer wij ons geborgen weten in God en met hem verbonden zijn, dan geneest ons hart. Uitgeputte mensen vinden bij Jezus verkwikking, omdat hij hen niet veroordeelt. Hij wil de schuld van ieder van ons afnemen. “Het behoort omzeggens tot het beroep van de liefdevolle God dat Hij vergiffenis wil schenken. Wie eenmaal begrepen heeft hoe mateloos groot Gods liefde is, houdt op met zich voortdurend zelf slecht te maken en als gevolg hiervan depressief of, wat ook kan, hoogmoedig te worden” (J. Müller, Und heilt alle deine Gebrechen. Psychotherapie in christlichter Sicht, Stuttgart, 1996, p. 111). God laat toe dat wij onszelf gaarne zien. Aanvaard, dat gij aanvaard zijt (P. Tillich). “Als iemand slecht is voor zichzelf, voor wie zal hij dan goed zijn ?” (Jezus Sirach 14, 5).
Wij kunnen niet alle lasten en hindernissen wegnemen. Wij zijn zelf ‘zondaars in genade’. Al schieten wij tekort, wij blijven rekenen op Gods aanwezigheid. Een hulpverlener is bewust van eigen kwetsbaarheid. Wij proberen wie op ons beroep doet met eerbied te bejegenen en hen te laten voelen dat wij van hen houden.
Met een zachtmoedig hart
Er is veel te doen om het hart, dat bewijst de hartchirurgie. We krijgen veel tips om het hart gezond te houden. “Het hart is een pomp, de mijne is op hol geslagen” (Amélie. Nothomb).
In juni 2014 onthaalt het bezoekerscentrum van het Europees Parlement het Museum of Broken Relationships (Museum van de gebroken harten) een tijdelijke tentoonstelling. Het gaat er niet over de pomp of de spier, die we het hart noemen. Het hart is een symbool, de zetel van het gemoed en van gevoelens. Het wijst op wat voor ons waarde heeft. “Waar je schat is, daar zal ook je hart zijn” (Mt. 6,21).
*“Elk huis heeft een hart, maar zelfs de bewoners weten niet altijd waar het klopt. Als ik in een huis kom, probeer ik het hart te lokaliseren. In het ene is het de keuken, in het andere de televisie, of het bed, de bibliotheek, het bad, de douche, de tuin, je weet het nooit vooraf. Aan het hart mag niet worden geraakt, maar dikwijls gaat het gebukt onder ballast. Niet iedereen is in staat om die ballast eigenhandig overboord te gooien” (*Kristien Hemmerechts, De tuin der onschuldigen).
Wanneer jonge Vlaamse interviewers voor hun programma Verse vis bij paus Franciscus waren, was zijn laatste vraag*: “Waar is je schat? Waar rust je hart*?”
In zijn meest positieve zin staat het hart voor het beste in ons zelf en in de andere. Het hart wijst naar liefde. De nood aan hartelijkheid is groot. Vaak overheersen ruwheid en kilheid. Je kan hartelijkheid niet opdringen. Een verdediger van een actie voor een hartelijke kerk was zo in zijn pleidooi meegesleurd dat hij met de vuist op het gestoelte sloeg, zich missprak. In plaats van over een hartelijke actie te spreken, had hij het over een keiharde actie. Jezus dringt zijn goedheid niet op. Hij nodigt uit: “Kom tot mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt.”
Het hart, onze beste bondgenoot? Ja en neen. Wij moeten op ons hart waken. Het hart warm houden en het hoofd koel. We kunnen hoogmoedig zijn van hart, nukkig, hard, hardvochtig, verstokt. We kunnen van uit ons hart mild zijn, begrijpend.
In een katholieke spiritualiteit vertolkt de Heilig Hart devotie de levensgave van Jezus. Hij is de man met het geopende hart. Het tempo van Jezus is dit van het hart. Jezus, de zachtmoedige, heeft mensen kunnen dragen vanuit zijn verbondenheid met de Vader. Wanneer hij tot zijn Vader bidt en Hem prijst, vergeet hij niet “die uitgeput zijn en onder lasten gebukt.”
De profeten en de psalmisten baden om een vermorzeld en deemoedig hart. Wij kijken naar Jezus, die “zachtmoedig is en nederig van hart.” Aan hem vragen wij: “Heer, maak ons hart gelijk aan het uwe.”