‘Wie een van deze kleinen al was het maar een beker koud water geeft omdat hij mijn leerling is, voorwaar, Ik zeg u: zijn loon zal hem zeker niet ontgaan.’ Zusters en broeders, dat is een heel mooi woord. ‘Kleinen’ zijn wij, omdat we zijn leerlingen zijn. Ik kom er strak nog op terug, maar eerst iets anders.
t gebeurt niet dikwijls, maar vorige week heb ik nog eens hartelijk kunnen lachen om een krantenbericht. In Nederland is er namelijk een fikse rel ontstaan omdat twee tv-makers een reeks van zes programma’s gemaakt hebben waarin God en kerk hopeloos belachelijk worden gemaakt. Uiteraard tot ontsteltenis van de religieuze gemeenschappen in het land. Nee, niet daarom heb ik gelachen, wel om wat die twee heren in een interview vertelden. Ze hebben zich namelijk voorgenomen God uit te roeien. Gemakkelijk zal dat niet zijn, want volgens hen zijn er over de hele wereld maar 2,5 % mensen die niet in God geloven. Ze zijn doodongelukkig dat die andere 97,5 % echt zo stom kunnen zijn om wél in God te geloven. Doodongelukkig en wanhopig om zoveel menselijke domheid zijn ze. \
Zusters en broeders, in de loop van de voorbije eeuwen werden over de hele wereld onbekende volksstammen ontdekt. En hoe verscheiden van kleur, woonplaats, cultuur en gewoonten die stammen ook waren, één ding hadden ze allemaal gemeen: ze geloofden in een god of in goden, en ze hadden een georganiseerde religieuze cultuur. Hetzelfde kan gezegd over de archeologie: nooit heeft die een cultuur ontdekt zonder sporen van religie. Sommige culturen waren zelfs helemaal op religie gebouwd.
Geloof en godsdienst lijken dus wel in de genen van de mens te zitten. Volgens sommige moderne wetenschappers zit geloof evenwel niet in de genen, wel in een bepaald segment van onze hersenen. Er zou daar dus bij zo goed als alle mensen een soort afwijking zijn. Een eigenaardige conclusie is dat. Onze hersenen hebben ons gemaakt tot wat we zijn, ze hebben in de loop van de eeuwen hun werk goed gedaan, maar op één domein zijn ze volgens die wetenschappers dus in de fout gegaan, liefst bij meer dan 97 % van alle mensen. Alleen bij die 2,5 % zouden ze niet in de fout zijn gegaan. Het zal wel aan mezelf liggen, maar bij zo’n cijfers heb ik de neiging de fout, de zogenaamde afwijking, te gaan zoeken bij het kleinste percentage, bij die 2,5 % dus die niet in God geloven. \
Maar wetenschap of niet, de mens heeft zich altijd klein gevoeld tegenover datgene wat hem overstijgt, en precies die kleinheid heeft hem tot mens gemaakt. Het besef dat Iemand groter is dan hijzelf heeft hem doen zoeken naar wegen om die Iemand te kennen en te behagen. Met offers, zelfs met mensenoffers, maar ook en vooral met een gedragscode. ‘Nee, dat kunnen we niet doen, want dat zullen onze goden niet graag hebben. Ja’, dat moeten we doen, dat is wat onze goden vragen.’ Jezus heeft aan dat streven een richting gegeven. Hij kon het weten, want Hij was, nee, Hij is, de Zoon van God. En die richting is: ‘Je moet maar twee dingen doen: van God houden en van de mensen houden. Geen offers, neenee, alleen maar houden van.’ En ‘houden van’ is een werkwoord. Niet ondergaan, maar doén. Houden van, actief, zoals een verliefde. Je doet alles voor diegene op wie je verliefd bent, de gekste dingen. En je cijfert jezelf weg omwille van hem of haar. Je maakt jezelf klein om de ander groter te laten worden. In het evangelie van vandaag noemt Jezus zijn leerlingen niet toevallig ‘kleinen’. Niet omdat zijn volgelingen minder zouden zijn dan anderen, maar om te zeggen: ‘Houd het maar eenvoudig. Blijf maar met je beide voetjes op de grond. Probeer maar niet zelf voor godje te spelen. Laat het God-zijn maar aan God over. Je hebt al meer dan werk genoeg om een goed mens te zijn.’
‘Wie zijn vader of moeder meer bemint dan Mij, is Mij niet waardig; wie zoon of dochter meer bemint dan Mij, is Mij niet waardig.’ Het lijken niet echt de woorden van een zachtaardig iemand. Veeleer die van een fundamentalist. Moeten we Jezus dan effectief boven onze familie, onze ouders, onze kinderen stellen? Moeten we minder van hen houden dan van Jezus? Dat lijkt niet doenbaar, en ook mensvriendelijk. En dat is jezus toch, mensvriendelijk? \
Zusters en broeders, maak je maar geen zorgen, Hij is dat ook hier. Want ik weet niet of je het beseft, maar eigenlijk doen de meesten onder ons al lang wat Hij hier zegt. Degenen bij wie er nog echt sprake is van gezinsgeloof, zijn al lang een kleine minderheid geworden. Veruit de meesten onder ons hebben ouders, broers en zussen, kinderen en kleinkinderen bij wie het geloof niet meer echt levend is. Niet levend genoeg in elk geval om ’s zondags naar de mis te komen, de sacramenten te ontvangen, of iets met de kerk te maken te hebben. Dat is onze realiteit. En in die realiteit maken wij een keuze. Wij zeggen: ‘Jij mag zeggen en doen wat je wilt, maar ik blijf trouw aan mijn geloof, ik blijf trouw aan de weg van Jezus, ik probeer te leven zoals Hij ons heeft voorgeleefd.’ We doen dus precies wat Jezus ons vraagt: inzake geloof stellen we Hem boven onze vader en moeder, zonen en dochters. We volgen Hem, niet onze gezinsleden, niet onze kinderen, niet onze familie. Jezus’ woorden zijn dus helemaal niet hard of mensonvriendelijk, wel heel realistisch.
‘Wie een van deze kleinen al was het maar een beker koud water geeft omdat hij mijn leerling is, voorwaar, Ik zeg u: zijn loon zal hem zeker niet ontgaan.’ Zusters en broeders, wij horen bij deze kleinen die zijn leerling willen zijn. Ik ben er zeker van dat we ons daar heel gelukkig mogen om voelen. Amen.
\